Niet meer moe na kanker door cognitieve therapie |
|
|
| dinsdag, 08 januari 2008 23:18 |
|
De kanker uit het lijf, je hebt het overleefd. En dan ben je moe, vreselijk moe. Eén jaar na behandeling van kanker heeft 50 procent van alle patiënten nog altijd last van chronische vermoeidheid. Ongeveer een kwart van de overlevers van kanker is drie, vier jaar nadat zij zijn genezen, nog steeds ernstig vermoeid. In Nijmegen werd een behandeling ontwikkeld die werkt. Na deze cognitieve gedragstherapie van een half jaar is driekwart van de patiënten niet meer ernstig moe. Marieke Gielissen promoveert op 17 januari op dit onderzoek.
‘Bij de deelnemers aan mijn onderzoek is géén lichamelijke oorzaak voor de vermoeidheidsklachten te vinden,’ benadrukt Gielissen. Ook de kankersoort of de behandeling die ze daartegen hebben gehad, is niet van invloed op hun vermoeidheid. Het maakt niet uit of je nu chemo hebt gehad of bestraald bent: alle patiënten hebben een even grote kans op vermoeidheidsklachten.’ Gielissen noemt zes factoren die de vermoeidheid in stand houden: ‘Niet voor elke patiënt spelen al deze factoren mee. In de therapie die we ontwikkeld hebben, bieden we wat voor de patiënt relevant is.’ Om te illustreren hoe moe extreem moe is, haalt Gielissen een uitspraak van een patiënt aan: ‘Heb ik daar nou voor gevochten, dat ik nu niks meer kan…’ Een wandelingetje van twee minuten kan al een opgave zijn. Aan werken of een sociaal leven komen deze mensen niet meer toe.
‘Zie je wel, mijn lijf is helemaal kapot’ ‘Dat is gedrag dat vermoeidheid in stand houdt’, zegt Gielissen. ‘We vragen dan wat de gewenste uitkomst is. Is dat slapen om 11 uur en om 8 uur opstaan, dan beginnen we daar direct mee. Dat klinkt makkelijker dan het is. Een ander voorbeeld van gedrag is het activiteitenpatroon. We zien twee groepen: de ene is inactief uit angst om moe te worden, de andere groep heeft juist piekgedrag. Als die patiënten een beetje energie hebben, gaan ze heel veel doen, met erge vermoeidheid als gevolg. Bij de eerste groep beginnen we direct met het opbouwen van de activiteit, bijvoorbeeld vier wandelingetjes van twee minuten per dag, en dan steeds een minuutje langer tot de persoon twee uur kan wandelen. Als je die energie eenmaal hebt, kun je het wandelen gaan inruilen voor andere activiteiten. De piekers moeten eerst leren de extremen weg te laten.’ Het cognitieve deel is er op gericht om negatieve gedachten te vervangen door helpende gedachten. Dat is iets anders dan positief denken. ‘Je hebt er niks aan om te denken ‘Ik ben niet moe, ik ben niet moe’ als je wel moe bént. Maar het kan wel helpen als je het verzet tegen de vermoeidheid, het gevoel van machteloosheid en het rampendenken loslaat en vervangt door acceptatie en vertrouwen.’ ‘De dokter zegt dat het erbij hoort’ Kenniscentrum Zelf gaat Marieke Gielissen door met de implementatie van de behandeling van ernstige vermoeidheid na kanker. In dienst van de Nederlandse Kankerbestrijding werkt ze aan een internationaal kennisnetwerk rond het thema en ze bekijkt hoe meer mensen van de therapie kunnen profiteren. Vermoeide patiënten na behandelingen van kanker zouden het beste geholpen kunnen worden in het ziekenhuis waar ze toch al voor nacontrole komen. Je kunt van een ernstig vermoeide patiënt tenslotte niet vragen om in de trein naar Nijmegen te stappen…” Fatigue in cancer survivors. From assessment to cognitive behaviour therapy Marieke Gielissen (Deurne, 1977) studeerde psychologie in Nijmegen met een specialisatie in de neuro- en revalidatiepsychologie. Haar promotieonderzoek bij het Nijmeegs Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid (NKCV) van het Universitair Medisch Centrum St. Radboud getiteld ‘Cognitieve gedragstherapie om ernstige vermoeidheid en beperkingen in het dagelijks leven te verminderen na curatieve behandeling van kanker’ werd mogelijk gemaakt met een subsidie van KWF Kankerbestrijding. Dezelfde organisatie eerde haar met een fellowship voor sociaal-oncologisch onderzoek, met het NKCV als werkplek. Bron: Radboud Universiteit
|



