Mijn bank
In mijn huidige kamer staat een bank, die daar met mijn goedkeuring is achtergelaten door Lars, de vorige bewoner van deze kamer. Hij ging een appartement in het centrum van Utrecht betrekken, en kon daar deze bank niet bij gebruiken. Nu moet ik iets vertellen over deze bank; het is een erg lelijke bank. En als ik zeg lelijk, dan bedoel ik ook écht lelijk. Zo'n jaren '80 bank, waarop zelfs slechtzienden in de jaren '80 al weigerden plaats te nemen, omwille van zijn onbeschrijfelijke lelijkheid.
Nu ben je als student zijnde niet te kieskeurig als het gaat om het uiterlijk van je meubilair. Met name als het gaat om meubilair wat je gratis is aangeboden. Hoe ongefatsoeneerd studenten ook mogen lijken, ook óns is het verhaal van het gegeven hoefdier wat je niet in de mond kijkt wel bekend. Dus dan zeur je niet. Bovendien had ik al een compromis gevonden tussen het uitermate prettige zitcomfort van deze bank en zijn gruwelijke lelijkheid. Ik had namelijk van mijn ouders een 'grand foulard' te leen. Een grand foulard is een soort groot kleed wat men gewoonlijk over banken legt die het aanzien niet waard zijn. Zoals deze. Zo kon ik nog steeds heerlijk genieten van ongegeneerd languit tv-kijken, zonder me te hoeven storen aan het uiterlijk van mijn tweezits.
Of ik dan geen last kreeg van mijn geweten voor de schaamte die ik koesterde voor mijn bank? Natuurlijk wel. Ook een bank heeft gevoelens. Ik probeerde mijn geweten te sussen door mezelf voor te houden dat dit kleed wat ik over de bank drappeerde, de mantel der liefde symboliseerde waarmee ik zijn lelijkheid voor de rest van de wereld bedekte. En waar ik hem slechts gemene sneren en lafhartige opmerkingen mee bespaarde. Zoals een Arabische man die iedere ochtend weer dankbaar is als hij de burka over het gezicht van zijn toen-hij-haar-trouwde-toch-nét-iets-mooiere vrouw trekt, maar toch erg van haar houdt. Zoiets.
Vandaag besloot ik echter dat het hier moest eindigen. De waanzin moest stoppen. Ik kon de gedachte niet langer verdragen dat ik deze bank, die mijn zitvlak dagelijks van het meest geriefelijke comfort voorzag, op deze wijze probeerde te verbergen voor de rest van de wereld. Dat ik me schaamde, voor iets wat altijd zo goed, zacht en steunend voor me is geweest.
(Bovendien had ik geen zin om dat grote, logge kleed steeds op te trekken als het er weer eens afgleed, maar dat is even van secundair belang.)
Dus ik heb het kleed van de bank afgetrokken, opgevouwen en in de kast gelegd. Ik heb tegen mijn bank gezegd: "Bank, ik accepteer je zoals je bent. We hebben het altijd erg goed samen, het spijt me dat ik lelijk over je heb gedacht, en vanaf nu neem ik je gewoon zoals je bent. Punt."
Zojuist kwam ik terug van de universiteit en plofte ik op de bank. Hoewel het kleed er nu af is, was de landing nog altijd even zacht en aangenaam als anders. De zachte kussens braken zoals altijd op tedere wijze mijn val, waarop de rugleuning mij onmiddellijk zijn stevigheid bood om tegen te steunen. Ik was deze bank dankbaar, dat hij er weer was, zoals hij er altijd voor me is geweest.
En nou kan ik me vergissen, dus verklaar me niet voor gek... maar op het moment dat ik neerplofte leek het net alsof er uit de bank, zo ergens tussen de twee kussens en de rugleuning door, een dankbare grom omhoog kraakte.
| < Vorige | Volgende > |
|---|

