Kosmologie, God en de Dood
De kosmos fascineert, maar maakt mij ook intens nietig.
Tijdens de zomervakantie heb ik geprobeerd 'A brief history of time' van Stephen Hawkins te lezen en te begrijpen. Misschien lag het aan de temperatuur die dagelijks opliep tot minstens 35 graden, maar erg veel duidelijker is het me allemaal niet geworden.
Op kosmische schaal bezien, lijkt leven in ieder geval eerder uitzondering dan regel. Het is ofwel te warm of te koud. En is het dat niet, dan ontbreekt er een noodzakelijk sterrenstofje in de atmosfeer, of (ook knap lullig) er is geen atmosfeer. Tenslotte kan het nog zo zijn dat het niet genoeg dondert en bliksemt om een oersoepje te koken.
Het is altijd wel wat en de enige algemene conclusie moet dan zijn dat eigenlijk alles zo'n beetje pleit tegen het ontstaan van leven. Ik begrijp dan ook niet dat Stendhal het naar hem genoemde syndroom pas opliep in Florence. Een kijkje naar de sterrenhemel lijkt me voldoende voor verwarring en een gevoel van overweldiging. Daar heb je het Pallazo degli Uffizi dan niet meer voor nodig.
Een mooie overweging tot bescheidenheid, zou je zo denken. Want wat stellen we nou eigenlijk voor hier met ons allen op deze klomp aarde die door een onafzienbaar heelal scheert?
Voor wie er hoop uit wenst te putten, staat natuurlijk een uitgelezen santemekraam aan goden en godsdiensten ter beschikking die betekenis trachten te geven aan ons naakte bestaan. Daarmee geeft het een verklaring waarom alles is zoals het is en krijg je een toegangskaartje cadeau tot een betere wereld. Voor als we doodgaan bijvoorbeeld.
Eind goed al goed…
Enige weken voor de zomervakantie overleed mijn oma. Ze had de respectabele leeftijd van 91 jaar. Toen ik de rouwkaart zag met daarop haar geboortejaar, realiseerde ik me pas dat zij bijna een eeuw aan zich voorbij had zien trekken: 1918. Een tijd waarvan alleen nog zwart-wit foto's en schokkerige filmbeelden getuigen van de geschiedenis. Er zouden nog een economische wereldcrisis, een wereldoorlog en hongerwinter volgen voordat er sprake was van wederopbouw en het ontkiemen van de welvaartstaat.
Mijn oma's geest was nog kraakhelder en een gesprek met haar nooit saai. Ze had duidelijke meningen en schroomde niet die te laten horen. Religie vond ze bijvoorbeeld maar niets. Bepaalde politici deden het ook niet echt goed bij haar, zeker niet de politici die tegen haar gevoel voor rechtvaardigheid ingingen. Opvallend genoeg waren dat vaak politici van katholieke of protestantse huize.
Hoe helder haar geest ook zijn mocht, het hart en de longen wilden niet meer. Een windvlaag door een openstaand raam was genoeg voor een longontsteking en ziekenhuisopname. En dit was niet de eerste. De vorige longontsteking was ze met veel pijn en moeite weer enigszins te boven gekomen. Voor de genezing van deze was echter een godswonder nodig.
Maar godswonderen waren aan mijn oma niet zo besteed.
En dan nog…
Hoewel ze weinig klaagde, knaagde het aan haar dat ze in haar hoofd nog zo jong was, maar dat het lijf het steeds meer liet afweten. Ze werd voortdurend afhankelijker van anderen en een medicijnkast vol pillen en poedertjes. Voor iedere functie en orgaan leek ze wel een pil of poedertje te krijgen en vervolgens weer pillen en poedertjes die de bijwerkingen van die andere pillen en poedertjes moesten tegengaan. Voor mijn oma hoefde het niet meer zo nodig. Ze aanvaarde het leven, maar hing er niet meer aan.
Gelukkig was ze niet naar een ziekenhuis gebracht waar het leven tot iedere prijs en het ondraaglijke toe, gerekt moest worden op last van een hemelse autoriteit. Zodoende kon ze ervoor kiezen de behandeling met antibiotica te stoppen en te vervangen door morfine. Zo kon zij van haar in allerlijl opgetrommelde kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen afscheid nemen en langzaam, waardig en pijnloos inslapen.
Al die tijd heeft zij geen woord gesproken over het leven dat haar te wachten zou staan; de beloning die mensen claimen, louter en alleen omdat ze een godvruchtig leven geleefd hebben. En ook in deze laatste momenten kwam ze niet in de verleiding om, al was het maar om het zekere voor het onzekere te nemen, zich over te geven aan de illusie van het eeuwige geluk dat aan gene zijde van het bestaan zou wachten.
En dan nog…
Al had ze het wel gedaan. Wie zouden wij dan geweest zijn het haar kwalijk te nemen?
| < Vorige | Volgende > |
|---|

