Doodsdrift
Deze foto kwam ik toevallig tegen op internet. Een toonbeeld van eenvoud. Zwart-wit. Wat kan dat toch mooi zijn. Geen schreeuwende kleurvlakken. De fotograaf stond bij het linkervoorwiel en gebruikte een groothoek. Hij heeft niet gezocht naar effectbejag. Is zelfs niet door de knieën gegaan. Wat hij ons laat zien is een man in een racewagen. De kap is van de cockpit gehaald en we krijgen daardoor een blik op de werkplek van de coureur. Veel stelt dat niet voor; een nauwsluitend aluminium kistje. Comfort heeft duidelijk niet vooropgestaan bij de ontwerpers. Straks, als de monteur klaar is, z'n schroevendraaiers heeft opgeborgen en de coureur z'n zespuntsgordel heeft vastgesnoerd, gaat de wagen met brullende motor de baan weer op.
De essentie van het coureur-zijn is het beteugelen van krachten die hij zelf oproept. In de woorden van oud-wereldkampioen Emerson Fittipaldi: 'Vanaf het moment dat je start bevind je je in een voortdurende noodsituatie.'
De krachten die de rijder oproept voeren hem al snel tot zo'n 300 km/u. Met dit in het achterhoofd valt op hoe kwetsbaar en weerloos dat mannetje in dat aluminium kistje eigenlijk is. Dat weet hij zelf ook, alleen sluit hij zich daar volledig voor af. Ongelukken overkomen namelijk alleen anderen. Zodra hij zou toegeven dat ook hij kwetsbaar is, kan hij niet anders dan uitstappen.
Kenners onder ons weten wie de man op de foto is: Jo Siffert. Hij zit/ligt in een Yardley-BRM en het jaar is 1971. Siffert was een goed coureur, maar geen potentieel wereldkampioen. Iets teveel een playboy en bon-vivant. Ook de wagen is een semi-topper; snel, maar nogal onbetrouwbaar. Siffert is op de foto 35 jaar. Veel ouder zal hij niet worden. Enkele maanden later verongelukt hij.
Live fast, die young!
In de jaren zeventig van de vorige eeuw was dat inherent aan de sport. Met gemiddeld twee dodelijke ongelukken per jaar op een startveld van vijfentwintig coureurs kom je uit op 8%. Arbotechnisch gezien geen resultaat om trots op te zijn.
Het weerhield rijders er niet van het gaspedaal diep, dieper, allerdiepst in te trappen. Die euforie duurde ongeveer zes seizoenen. Daarna begon de angst geleidelijk de overhand te krijgen en gingen de rondetijden naar beneden. De snelheid bleef trekken, maar niet tot elke prijs. Na gemiddeld tien jaar in de formule 1 hielden ze het voor gezien. Wereldkampioen of niet. Er is nu eenmaal een limiet aan het aantal dode collega's dat je aankunt.
Psychologen en psychiaters die geschoold waren in de Weense traditie lieten veelvuldig het begrip 'doodsdrift' vallen. Een Engelse psychiater stelde dat de voortdurende spanning en snelheidsroes waaraan coureurs zich blootstelden hersenbeschadigingen veroorzaakten. Normaal functioneren in het dagelijks leven zou niet meer mogelijk zijn. De Duitse schrijver Peter Handke had voor een tijdschrift de formule 1 een aantal weken gevolgd. Zijn conclusie: deze mensen leiden aan dwangmatig gedrag.
Zo bezien zou je kunnen stellen dat een startveld anno 1971 uit louter geestesgestoorden bestond.
In 1971 was ik veertien jaar en maakte dit alles grote indruk. Aan de ene kant was er de vervoering van snelheid, spektakel, gevaar en glorie. Aan de andere kant al deze verhalen. De wereld waarin de rijders leefden nam welhaast mythische proporties aan. Het was dan ook volstrekt ondenkbaar dat een coureur als Jackie Stewart na een gewonnen Grand Prix thuis zou komen bij mevrouw Stewart en net als mijn vader z'n broodtrommel op het aanrecht zou zetten en op de bank rustig zijn krant ging lezen.
Elf jaar later was ik 'op' Zandvoort. Voor de Grote Prijs van Nederland was ik in het bezit gekomen van kaartjes die mij toegang gaven tot de tribunes rond de Tarzanbocht en het terrein achter de pitsstraat. Vlak voor de trainingsritten zag ik Nelson Piquet en Keke Rosberg, de toppers van die dagen, naar de pits lopen; race-overall aan en helm onder de arm. Een beetje kleine mannetjes; het viel me ineens op, maar ja iedere kilo telt.
Ze waren druk met elkaar in gesprek. Koetjes en kalfjes? Problemen met moeder de vrouw? Tegenvallende rapportcijfers van de kinderen? Wie zal het zeggen. Ze waren vast geen recepten voor grootmoeders appeltaart aan het uitwisselen, maar straks zouden ze in ieder geval weer langsrazen met een kleine driehonderd per uur.
Plots realiseerde ik het me. Ziedaar: gewoon twee mannen op weg naar hun werk.
| < Vorige | Volgende > |
|---|

