Het huidige college van de gemeente Rotterdam wil af van de kraampjes en keetjes in de binnenstad waar je Vietnamese loempia's, gebakken visjes en patat kunt kopen. Het 'verrommelt' het straatbeeld en zou bovendien oneerlijke concurrentie geven voor de reguliere middenstander die wel in een door het gemeentelijk politburo goedgekeurd winkelpandje zijn nering drijft. Waar het vooral om gaat is dat de binnenstad het visitekaartje van de stad moet zijn. Dat moet dan ook allure hebben, uitstraling. Daar moet men niet voor verrassingen komen te staan.
Wat moet ik hier als eenvoudig stadsbewoner van denken?
'Verrommeling' zie ik eerder als iets wat voor een groot deel veroorzaakt wordt door de niet aflatende stroom auto's die als in een constante processie de binnenstad doorkruist en het overal geparkeerde blik dat daarvan het gevolg is. Dat bepaalt eerder het straatbeeld dan die incidentele haringkar. Daarnaast ken ik de stad niet anders dan als een eeuwigdurende bouwput waaruit megalomane projecten verrijzen die Rotterdam verder dienen op te stuwen in de vaart der volkeren. Maar toch; laat ik niet negatief zijn. Misschien moeten we dit alles beschouwen als een stap in het civilisatieproces: de openbare ruimte als designproject. Op deze manier delen we de stad op in een soort reservaten die ieder een specifieke functie en uitstraling hebben. Een speelreservaat voor kinderen, een winkelreservaat voor consumenten, een ontspanningsreservaat voor recreanten, een woonreservaat voor bewoners, een werkreservaat voor werkenden en een allurereservaat voor de happy few. Mooi geregeld en overzichtelijk. Wat nog ontbreekt is de designmens, maar ook daar wordt aan gewerkt.
Eigenlijk is de mens de storende factor in het hele project. Ik herinner mij dat de architect Carl Weeber het betreurde dat bewoners van zijn appartementen met plantjes en allerhande frutsels hun kamers opfleurden. Weeber bedoelde waarschijnlijk, dat hij het jammer vond dat er überhaupt bewoners in zijn ontwerpen huisden. Die vormden namelijk een lompe inbreuk op zijn hoogwaardig design.
Erger is misschien nog dat de ontwerper een onbegrepen genie is, maar het publiek dat niet op waarde weet te schatten. Zo hadden we in Rotterdam een park naast Museum Boymans. Een beetje saai, want niet voldoende gedesigned ontspanningsreservaat: bomen, bankjes, gras en een watertje. In de jaren tachtig besloot het toenmalige gemeentebestuur dat de omgeving van het park zou worden omgetoverd tot een museumkwartier. Een cultuurreservaat dus. Zo geschiedde. Er kwam een natuurmuseum, een kunsthal en het Nederlands Architectuurinstituut. Alles vormgegeven in hoogwaardig beton. Het park zelf zou ook worden geüpgraded, want dat paste niet meer temidden van al deze blingblinkende uitstraling.
Er werd dan ook een internationaal bewierookt landschapsarchitect ingehuurd. Om te beginnen maakte deze korte metten met het grasveld en de populieren die deel uitmaakten van de entree. Er kwam een wit schelpenveld met appelbomen. Heel artistiek. Daarachter vormde een muur met spiegelende wanden de entree tot het uiteindelijke reservaat. Wie het schelpenveld en de muur gepasseerd was, kwam op een grote, zwarte asfaltvlakte. Deze was bedoeld voor grootschalige evenementen. Bij gebrek daaraan lag het er zo'n elf maanden en twee weken per jaar desolaat en leeg bij. Waar asfalt en leegte zijn, daar duiken al snel skateboarders op. En waar skateboarders hun kunsten vertonen kun je rust en stilte wel op je buik schrijven. Achter de asfaltvlakte was nog een flard overgebleven van het oorspronkelijke park. De landschaparchitect had er uit de losse pols wat kiezelstenen gestrooid en aldus paden naar een loopbrug gemaakt, daarmee de verbindingslijnen vormend tussen de verschillende delen van het museumkwartier.
Na oplevering werd één ding al snel duidelijk: niemand wist het park op de juiste waarde te schatten. Eigenlijk vond niemand het mooi. Behalve dan de toenmalige cultuurwethouder en de landschaparchitect zelf. Een recensist merkte in 'de Volkskrant' op dat het woord park een volstrekt nieuwe betekenis gekregen had: 'Het park is geen ode aan het groen, maar een ode aan de leegte'. Die leegte zou zich al snel vermeerderen omdat bleek dat de appelboompjes niet wilden of konden groeien en bloeien op het schelpenveldje. Iets met teveel of te weinig kalk, water, of wat dan ook. Het ontbrak onze ontwerper blijkbaar aan zelfs de meest elementaire botanische kennis. Het parkprobleem zou vervolgens opgelost worden door een volgend gemeentebestuur dat besloot om een parkeergarage aan te leggen onder de voormalige schelpenweide en asfaltvlakte. Er kwam een diepe kuil. Die liep vol met water. Hierdoor moesten de werkzaamheden enige tijd gestaakt. Vervolgens ontstonden er scheuren in de muur van een nabij gelegen kerk. Inmiddels zijn we jaren verder en ligt er nog steeds een grote bouwput die in de volksmond de naam 'blunderput' heeft gekregen. Ach ja, alles van waarde blijkt weerloos…