De macht van de herinnering
Gedurende een dag slaan we talloze (en overwegend triviale) herinneringen op. Dat gaat vanzelf. Als we daar verder niets mee doen verdampen ze gewoon als water in de woestijn. Soms is het echter nodig om een deel van deze herinneringen op te roepen.
Hoeveel weten we dan nog?
Deze vraag werd actueel toen mijn dochter onlangs een ketting kwijt was: een zwart koordje met daaraan een haaientand. Deze tand zou ongeveer 5 miljoen jaar geleden toebehoord hebben aan een witte haai die rondzwom in een subtropische oceaan op de plek waar nu Beieren ligt.
Mijn dochter was bijzonder gehecht aan deze stoere ketting. Het besef dat-ie kwijt was leidde dan ook tot groot en machteloos verdriet.
Groot en machteloos verdriet van een twaalfjarige roept om actie.
Het huis doorzoeken leidde echter tot niets.
Wetenschappelijke systematiek in het denken, dat was wat we nodig hadden: wanneer had ze de ketting nog om? Antwoord: na schooltijd.
Wat hebben we daarna gedaan? Antwoord: boodschappen.
Conclusie: waarschijnlijk was ze hem onderweg kwijt geraakt.
Er was dus maar één oplossing mogelijk: dezelfde route nogmaals lopen.
Dat betekende ongeveer 2,5 kilometer door inmiddels hevige regenbuien en invallende duisternis.
Waar waren we geweest? Antwoord: de slotenmaker, het postkantoor, twee filialen van AH, de bibliotheek en de computerwinkel.
Mijn geest maakte een Google Earth-overzicht van de route: vanuit de lucht gezien vormde het een bijna perfecte driehoek met als hoekpunten postkantoor, bibliotheek en huis.
Daar leek een zekere symboliek in te schuilen. Was de gezochte tand immers ook niet driehoekig?
Een gunstig voorteken? Bij het naar buiten gaan zag het daar niet naar uit. Hoe groot is de kans een ongeveer 6 centimeter lange tand aan een zwart koordje te vinden op een straat waar inmiddels regenplassen van soms 10 centimeter diep stonden? Hiermee geconfronteerd leek het me een bij voorbaat zinloze onderneming.
Wel eens gezien hoeveel zwarte touwtjes er op straat liggen?
Nooit op gelet zeker? Ik ook niet, totdat ik erop ging letten…
Zo’n tand heeft trouwens een perfecte schutkleur voor bepaalde soorten bestrating.
We lopen de route precies als die middag. Hoeveel je je niet blijkt te herinneren. Niet alleen hoe, maar ook aan welke kant van de straat je liep. Soms komen weer flarden van een gesprek boven of een gezicht van een passant.
Het gaat trouwens steeds harder regenen. We komen, inmiddels doorweekt, bij de computerwinkel. Er rest ons nog zo’n 750 meter tot we weer thuis zijn. De kansen – zoal aanwezig – slinken nu met iedere stap. We moeten alleen nog het laatste AH-filiaal aandoen.
Rechtsaf…
Het wordt nu ook nog echt donker.
Een meter of 5 voor me zie ik het zoveelste zwarte koordje liggen. Qua lengte en dikte lijkt het te voldoen aan het gezochte exemplaar, maar ik kan geen tand ontdekken. Mijn dochter heeft het ook gezien.
Ze bukt, raapt het op, en zie…
er zit een driehoekige haaientand aan.
Volledig intact.
We kunnen het beiden nauwelijks geloven en raken de volgende 700 meter tot we thuis zijn niet uitgepraat over de mazzel die we gehad hebben; de minieme kans om de ketting terug te vinden. We hebben zelfs een goed woord over voor het erbarmelijke weer. Hierdoor heeft iedereen zich immers gehaast en is de ketting niet opgevallen en meegenomen door iemand anders.
Maar laten we eerlijk zijn: was het niet vooral de macht van de herinnering die ons in staat stelde deze zoektocht tot een goed eind te brengen?
| < Vorige | Volgende > |
|---|

