Ode aan de Oude Holleweg
Waarom pak je op een dag een fiets, om je vervolgens
helemaal naar de kloten te rijden op de meest onmogelijke steile stukken
asfalt? Waarom ga je vervolgens houden van de steilste berg in Nijmegen, alsof
het één van je beste vrienden is?
Limburg, eat your heart out. Nergens vind
je zulke prachtige, bosrijke bergen als in Nijmegen. Het walhalla voor iedere
fietser. Afzien met een zoete bijsmaak.
De psychologie van het wielrennen is bizar, gestoord en
moeilijk uit te leggen aan gezonde, normale mensen. Fanatieke fietsers hebben
ergens een doodlopende straat in hun hoofd, waar ze iedere keer weer keihard
doorheen racen. Tot ze tegen een muur knallen, zich ‘ziek’ rijden, en
hallucinerend van het zuurstoftekort van de fiets vallen. ‘Dat doe ik dus
noooooit meer’, neemt de zieke geest zich dan voor. Maar nog geen twee dagen
later sta je alweer op de pedalen.
Wielrennen is geen teamsport. Als je ooit zo’n groepje
opgefokte reuen voorbij ziet stuiven, bedenk dan één ding: dit is geen groep.
Wielrenners gedogen elkaar omdat ze voordeel hebben van elkaar. Samen kun je
elkaar uit de wind houden en bereik je topsnelheden waar opgevoerde brommers
een puntje aan kunnen zuigen. Maar ondertussen probeert iedere wielrenner
binnen deze gedoogconstructie de ander ‘eraf te rijden’. Telkens een klein
beetje harder fietsen, en dan kijken wie er als laatste overblijft. Een
geniepig, genadeloos spel van geveinsde samenwerking.
Wielrennen draait om respect. Iedere oudere die het waagt om
met elektrische ondersteuning een wielrenner bij te halen, moet voor eens en
altijd vastgebonden worden onder een zonnebank in de hel. Op de heiligste berg
van Nijmegen fietst er een lul van een meneer voor mij, op het gemak naar
boven, omkijkend, het tempo opvoerend. Dat kan niet. In wielertermen ben je dan
nog minder dan het snot voor mijn ogen. Ik haal hem uiteindelijk voor de top in
en ben de rest van de dag buiten westen. Dat doe ik dus nooooit meer.
Wielrennen is dierlijke agressie, met de souplesse van een
jachtluipaard dat achter zijn prooi aanrent. Met alle onderdelen van je lichaam
zit je langdurig op de grens van je eigen kunnen. Het verkennen van die grens
geeft een diep existentiëel gevoel, alsof je op die manier het recht verwerft om
even gewoon te mogen bestaan. Ik worstel, maar kom boven. Overmorgen mag ik
weer.
-Gijs
| < Vorige | Volgende > |
|---|

