Lente-eczeem
Al met al was het een zaterdagavond zoals zovelen. De lange, gure winter was dit jaar inmiddels Echt Niet Meer Gezellig. De voordeur van de kroeg was al sinds eind september gesloten, en de rokers zaten gevoelsmatig alweer levenslang te kleumen onder de warmtelampen op het terras. Ik keek naar de groepen flirtende feestgangers en werd bevangen door een Louis van Gaal achtig 'ben ik nu zo oud, of zijn jullie nu zo jong'-gevoel. Mijn vaste, prachtige barmeisje was het enige mooie dat mij nog op de been hield. Ik kende haar, voor zover je barmeisjes kunt kennen. Ik wist dat ze humor had, en zelfspot; misschien wel de meest verfijnde vorm van humor. Wat haar vooral zo leuk maakte was haar echtheid. Je zag wie ze wel en niet mocht. Ze had geen Amerikaans neptietengezicht. Als ik binnen kwam zag ik haar ogen goedkeurend knikken. Nu ben ik dan ook een rustige, vaste klant die altijd fooi geeft. Als je zelf in de horeca hebt gewerkt snap je het belang van de aanwezigheid van rustige vaste klanten. Dat zijn een soort stille vennoten die in geval van ruzies of gezeik zonder aarzeling bijspringen. Bovendien geven die klanten je op gezette tijden een 'Jezus, wat een eikel-blik'.
Sommige mensen gedragen zich te opzichte van horecapersoneel namelijk als hondsdolle opgefokte bavianen. 'Ik proef wasmiddel in m'n glas pop, haal even een nieuw biertje voor me wil je', zegt een van de bavianen dan, terwijl zijn glas overigens al voor meer dan tweederde leeg is. Hij kijkt haar niet eens aan, de schoft. Alsof mijn barmeisje een soort walking fridge met afstandsbediening is.
Vaak kijkt ze op dat soort momenten even naar mij, en dat is hét moment voor de 'Jezus, wat een eikel-blik'. Indirect zegt die blik dat ik bereid ben om dat stuk aangespoeld wrakhout met een ploertendoder te bewerken als hij haar ook maar met één vinger durft aan te raken. En die bevestiging is genoeg voor haar om vriendelijk te kunnen blijven.
Ze loopt voorbij aan mijn tafeltje en zegt: 'Bij sommige mensen zijn ze gewoon echt vergeten om de hersens erin te stoppen'. Ze knipoogt en ik val even stil. Ik zie ineens het beeld voor me van een lopende band in de hemel, waarbij engeltjes druk bezig zijn om mensen in elkaar te zetten. Om 17:00 klokt iedereen uit en ziet één van de engeltjes dat er nog een stel hersens in een doos in de hoek ligt. 'Maar we hadden toch 46 lijven en dus ook 46 stel hersens?', is uiteraard meteen de discussie. Er wordt geteld en inderdaad: 46 lijven zijn vertrokken naar moeder aarde. 'Kut kut kut hoe moet dat nu?', hoor ik de engelen schelden. 'Hij is al weg, we kunnen de hersens moeilijk nabezorgen', zegt de altijd pragmatische engel Egbert, die verantwoordelijk is voor de recycling en distributie van mensen van, en naar de aarde. 'Wat zal de baas er van vinden?', zegt de lijkbleke verantwoordelijke hoofdenvakkenvuller. 'Niets', zegt Egbert, terwijl hij het stel hersens oppakt en in de groene container gooit.
Ik bestel nog een biertje, terwijl mijn fantasie dagdroomt van de lente. Negenentwintig januari is het pas. Te koop op marktplaats: februari en maart. Tegen elk aannemelijk bod.
-Gijs
www.denkwatjewilt.nl
| < Vorige | Volgende > |
|---|

