Inzage
Inzage
De collega psychologe was voor het tuchtcollege gedaagd. Ze zat daar met een overtuiging van haar gelijk op het gezicht in een kunstmatig gecreëerde kalmte. Deze was in tegenspraak met de melding van de aanklager die gewag maakte van een aanvallende, veroordelende en bevooroordeelde houding ten tijde van het onderzoek dat de aanklager had moeten ondergaan.
De mens kan concurreren met de kameleon als het gaat om gedragsverandering om een gunstiger indruk te wekken dan waar hij of zij van beticht wordt. Om het gezicht te redden zogezegd.
De aangeklaagde was een Pro Justitia Rapporteur die kennelijk voor de gelegenheid op de stoel van de rechter was gaan zitten en van daaruit een psychologisch (voor)onderzoek had verricht bij een verdachte tegen wie een aangifte gedaan was, maar waarvan nog geen besluit tot vervolging, noch een exacte aanklacht was geformuleerd. De klacht van de aanklager omvatte ruim 28 pagina’s commentaar op het uitgebrachte rapport van de aangeklaagde psychologe.
Deze klachten omhelsden vrijwel het gehele gebied van het onderzoek, variërend van een onheuse bejegening en procedurefouten tot aan foutieve testinterpretaties en het onverantwoord willen voorschrijven van ingrijpende medicatie op grond van deze verkeerde conclusies. Ga er maar aanstaan als leden van een tuchtcollege.
Ter lering ende vermaeck wil ik één klacht uit de veelheid van de besproken klachten halen en ter overdenking delen met de lezer.
De aangeklaagde psychologe werd verweten dat zij de verdachte verkeerd en onvolledig had geïnformeerd en gezwegen had over het recht van inzage, correctie en klachtenrecht. In haar verweerschrift gaf zij dit toe. Haar argument daarvoor was dat de verdachte daar niet om had gevráágd. Waarop de verdachte in de repliek schreef dat er tijdens het adviesgesprek gevraagd was om een afschrift. Dat werd geweigerd. Vervolgens was binnen een week ná het adviesgesprek schriftelijk gevraagd om inzage. Ook dat werd geweigerd. Het argument luidde dat het rapport al direct naar de rechtbank gestuurd was. De verdachte en diens advocaat kregen pas na vijf maanden en alléén omdat het werd opgevraagd voor een second opinion, het gewraakte rapport onder ogen.
De tuchtrechtprocedure voorziet in een hoorzitting nadat alle schriftelijke stukken zijn ingediend, klaagschrift, verweer, repliek, dupliek. De verdachte had verzocht om een hoorzitting en daar confronteerde verdachte de psychologe met de niet gegeven inzage, en het onthouden van het recht op correctie.
De psychologe was het daar niet mee eens. Het was niet gebruikelijk, wist zij te melden, dat in de forensische context inzage werd gegeven aan de verdachte van de over hem of haar zelf uitgebrachte rapportage.
Na de hoorzitting volgde een openbare rechtszitting waarin de psychologe zich diende te verantwoorden voor haar handelen. Het college had de psychologe gesommeerd de voor haar geldende richtlijnen voor Pro Justitia Rapportage op te sturen, opdat haar handelen getoetst kon worden aan deze richtlijnen. Expliciet staat daarin vermeld dat de onderzochte recht heeft op inzage. Tevens staat daarin expliciet vermeld dat in geval de onderzochte het niet eens is met de rapportage, hij of zij gelegenheid moet krijgen het commentaar op schrift te stellen en dit commentaar dient als bijlage met de rapportage meegezonden te worden naar de opdrachtgever. In dit geval was het rapport echter onverwijld en direct na het adviesgesprek naar de opdrachtgever verzonden.
Desgevraagd op de zitting had de psychologe wel een zéér vreemde opvatting over de “interpretatie”van deze regels en gedragscode, die overigens voor al het overige de gedragscode van het NIP volgt. Nadat zij zich eerst verschoond had door te stellen dat de verdachte niet om inzage had gevráágd en later door te stellen dat dit in deze context niet gebruikelijk is, was haar verweer nu deze:
“In het forensisch onderzoek hebben wij veelal te maken met mensen die een laag cognitief vermogen hebben. Die snappen er tóch niets van en bovendien hebben zij meestal véél weerstand. Wij kunnen er dus niet aan beginnen om iedereen inzage te geven. Daarvoor zijn onze uren niet toereikend en dan zouden wij ons werk helemaal niet meer kunnen doen”Laat deze woorden tot u doordringen. Spreek hier niet een enorme minachting uit voor mensen? Spreekt hier niet uit dat zij in feite álle met justitie in aanraking komende mensen maar dom vindt? Uitschot van de maatschappij die je niet respectvol hoeft te behandelen? Staat deze psychologe boven de partijen? Heeft niet élke psycholoog geleerd dat hij of zij iederéén op zijn of haar eigen niveau moet kunnen aanspreken? Mij zijn deze zaken er tijdens mijn studie goed ingepeperd en ik zat mij dan ook plaatsvervangend diep te schamen voor deze uitspraak. Een psycholoog met zó’n houding is mijns inziens een smet voor de beroepsgroep, waar geen enkele zichzelf serieus nemende psycholoog zich mee wenst te identificeren. Kennelijk waren ook de collegeleden verbijsterd, want het enige commentaar hierop was: “O, juist”.
Het wrange is dat deze aangeklaagde dame de onderzochte diagnosticeerde als iemand met een narcistische persoonlijkheidsstoornis met de “gewoonte”te projecteren. Deze “diagnoses” zijn door de man die de second opinion deed, een gerenommeerde professor doctor in de psychodiagnostiek genadeloos onderuit gehaald. Mij bekroop het gevoel, gaandeweg de zitting, dat de rapportage één grote projectie was van frustraties van de onderzoekster zelf. Ik volg deze zaak op de voet omdat het zeer leerzaam is om eens inzage te hebben in de keuken van het tuchtcollege, en bovenal om eens inzage te hebben in de hersenspinsels van sommige psychologen. De uitspraak laat nog op zich wachten. Maar als ik het voor het zeggen had, dan zou hier een forse maatregel uit voortkomen waarvan zéker een verplichte scholing in ethiek onderdeel zou uitmaken!
| < Vorige | Volgende > |
|---|

