Ik kan vliegen!
Ik kan vliegen!
Ik droomde jarenlang regelmatig dat ik kon vliegen. Hele reizen legde ik af in de lucht. Ik zweefde zo, vanuit stand, recht omhoog, om vervolgens, lang uitgestrekt in de lucht, hele afstanden af te leggen. Ik vond het vanzelfsprekend. Niemand keek ervan op. Prachtige vergezichten gleden onder mij voorbij, de wind in mijn haren. Prachtige bossen, bloemen, vogels die onder mij door vlogen, de huizen klein, in de diepte. En niet gehinderd door enige werkelijkheidszin lag ik even later weer in mijn bed. Tot ik me op een ochtend, nog half slaperig, serieus bedacht dat ik werkelijk kon vliegen. Ik dacht: “straks, als ik op ben, moet ik het toch nog eens proberen!” Ik had wel gewild. Toen ik was opgestaan deed ik nog een kleine poging en maakte een dwaze sprong in de lucht. Met een harde klap kwam ik met beide benen op de grond terecht.
In de Volkskrant van 9 juni stond een artikel over neurologische beperkingen en valse herinneringen, met de kop “je geheugen is een bedrieger”. Daarin stelt experimenteel psycholoog Maarten Peters, dat “een herinnering niet als een geheel wordt opgeslagen, maar in allerlei kleine stukjes, die ook in verschillende delen van de hersens terechtkomen. Zo zitten de visuele herinneringen in een ander stukje dan de auditieve. Herinneren is daarom reconstrueren van deze verschillende deeltjes, waarbij veel mis kan gaan. Herinneringen zijn vaak vertekend, maar ook herinneren mensen zich vaak dingen die niet gebeurd zijn. Door kleine neurologische beperkingen zijn sommige mensen extra vatbaar voor vertekening en pseudoherinnering.”
Intrigerend, ons brein. Vooral als ik bedenk dat ik waarschijnlijk dus ongewild regelmatig onwaarheden verkondig en daar zelf in blijk te geloven. Omdat ik het me nu eenmaal herinner. Wat betekent het als ik niet meer op mijn geheugen kan vertrouwen? En evengoed kan ik niet echt aan op het waarheidsgehalte van de dingen die anderen aan mij vertellen. Soms merk ik het wel, als anderen zich iets menen te herinneren dat niet helemaal klopt, maar vaak ook niet.
Mevrouw Klein woont in het verpleeghuis en heeft de gewoonte om als zij iets nodig heeft te roepen: “Zuster, wat moet tante Trees nu doen, tante Trees heeft zo’n honger”. Een bezoeker vertelt enkele weken later dat hij Mevrouw Klein weer heeft gezien maar weet haar naam niet meer. Zijn dochter vraagt, “Bedoel je tante Trees soms?” Hij lacht en antwoord: “tante Trees, ja, die naam heb ik haar zelf gegeven. Zij lijkt op tante Trees die jarenlang voor mijn kinderen zorgde. Daarom gaf ik haar die naam”. Hij weet niet meer, dat Mevrouw Klein echt Trees heet. En hij twijfelt niet aan zichzelf. En Mijnheer Walter, die de ziekte van Alzheimer heeft zegt regelmatig, als ik vraag hoe het nu met hem is: “goed hoor, afgezien van de Alzheimer. Maar overigens heb ik er niet zoveel last van. Het valt bij mij erg mee. Het lijkt zelfs of mijn geheugen de laatste tijd weer vooruit gaat”.
Bij mij roept het onbetrouwbare geheugen meer onzekerheid op. Is het bijvoorbeeld echt gebeurd dat mijnheer Walter dit tegen mij zei? Of heb ik de helft erbij verzonnen? Wellicht is het enige dat telt, dat je zelf gelooft wat je je herinnert. Mijnheer Walter heeft nergens last van. Laat ik me dan ook maar niet druk maken.
Gelukkig heb ik het artikel over het geheugen uit de Volkskrant bewaard. Hierdoor kan ik voortdurend checken of ik het artikel echt heb gelezen. Het enige wat ik zeker weet is, dat de tekst aan het begin van dit verhaal, die tussen aanhalingstekens staat, echt in de Volkskrant stond. De rest is mogelijk valse herinnering.
Caeciel Dothée
| < Vorige | Volgende > |
|---|

