Idolen |
|
|
| Geschreven door Gijs Jansen |
| donderdag, 28 mei 2009 13:14 |
|
Ik kon niet slapen. Hebben ze me tóch weer geraakt. Ik dacht dat ik af was van dat nederige gevoel, van die vervelende puberale spanning voor, tijdens en vooral na alles wat er gebeurde. Ik hoopte zo dat ik de moed had om gewoon even een babbeltje met ze te maken, en om ze heel terloops nog even te vertellen dat ze mijn gevoelsleven totaal hebben ontleed en veranderd. Dat ik blijer ben daardoor, gelukkiger nog dan op het moment dat ik hoorde dat de Toppers de finale van het Eurovisie Mongoloïde Potenbal niet hadden gehaald, nee echt ik zweer het, dit ging nog dieper dan dat. Ik voelde me zo'n ontzettende onderdanige overgevoelige theatrale pseudo-psychotische kut-groupie. Want het zijn toch eigenlijk hele gewone jongens? Waarom dan toch die naar pathologie neigende verering, die stelselmatige gedetailleerde bewondering van mensen die ook gewoon naar de wc gaan...? Waarom legde ik mijn speciaal gekochte waterproof stift al een week van tevoren klaar op mijn bureau? Waarom checkte ik tot 48 keer toe de kaartjes, en waarom had ik de dvd al in huis voor vlak na de voorstelling? Waarom schieten er op dit moment nog 100 dingen door m'n hoofd die ik eigenlijk tegen ze had willen zeggen? Ken ik die mensen? Nee, ik ken ze niet. Vandaar ook dat ik droom dat ik zelf ooit bekend word, alleen maar om deel uit te kunnen maken van dezelfde incrowd als hen. Biertje drinken in de kroeg, en dan praten over zwerven, reizen, vluchten, dwalen en alleen maar zij. Hoe ze alles is en hoe ik zo graag die man ben die maakt dat ik me voel. En ik weet zeker dat dat dan tegenvalt. Ongetwijfeld ontdek ik dan dat ze meer dan leuk veel zuipen, dat ze vreemdgaan, saai zijn of eenzijdig. Dat ze het zelf ook niet weten en heimelijk hopen dat ik het anders ga doen. De illusie voorkomt de desillusie en dus moet ik die grote, lege ruimte juist koesteren. Het ging ook eigenlijk best heel goed. Ik ken de artiestenuitgang van die schouwburg en weet dat ze vrij snel na de voorstelling daar staan te roken. Toen ik kwam aanlopen stond HIJ er al. Hij van 'Lopen tot de zon komt', het mooiste nummer ooit (ja OOIT ja, als je dat niet vindt moet je je bek houden). Hij die zo groot is maar zo klein lijkt omdat hij altijd achter de piano zit, hij die zo introvert maar 1 op 1 zo verschrikkelijk sympathiek is, en de meest uitgesprokene vertaler is van mijn gevoelens. Ik blijf rustig en maak een paar correcte observaties (jullie zijn terug, van niet of nooit weggeweest weliswaar, maar jezus wat zijn jullie terug, en met wat voor diepgang!), alsof het niets is. Ik geef hem een boek van mij met een citaat uit hun repertoire. "Wauw man, wat gaaf! Dat zal Thomas leuk vinden. Wacht, ik ga hem halen!" Paul de Munnik vliegt weg en haalt DE MAN op, die man van 'Vandaag ben ik gaan lopen' en van 'Als je bij me weggaat'. Ik vraag hem of hij de nieuwe cd van Bob Dylan al gehoord heeft (ingestudeerd uiteraard), en of het leuk was in New York. ZE signeren vervolgens mijn gitaar, waarna ik giechelend wegwaggel en toe ben aan Heel Veel SpeciaalBier. Mensen die vertalen wat je zelf niet snapt zijn natuurlijk snel het slachtoffer van buitensporige bewondering. Toch snap ik mezelf niet. Waarom niet gewoon dat gedeelte van jezelf dat zij aanraken koesteren? Waarom die onzekerheid? Misschien staan Acda & de Munnik wel symbool voor mijn persoonlijke strijd, mijn eigen twijfels, mijn gebrek aan zelfkennis en mijn onbezonnen hunkering naar liefde. En dus zoek ik in hun de antwoorden die ik zelf niet heb. Jammer dat ze het waarschijnlijk zelf ook niet zullen weten...
-Gijs
|



