Print
02
dec

Grijze dame

“Mevrouw, ik ben blij dat ik met u vrijuit kan praten, met mijn kinderen kan ik dat niet, ik wil ze niet lastig vallen met mijn verdriet.” De grijze dame tegenover me keek me met heldere blauwe ogen aan. Haar stem klonk helder. Ze zag er keurig en modern gekleed uit in haar zwarte lange broek, een kleurige trui met daarop een vrolijk gekleurde kralenketting.

Haar man was jaren geleden overleden. Hij had een lang en moeizaam ziekbed gehad en zij had hem thuis verpleegd. Tot het einde. De kracht om elke dag opnieuw deze zware taak op zich te nemen putte ze uit het koor waar ze al sinds haar kinderjaren lid van was. Ze zong onder andere liederen van Schubert, “Winterreise”, of ik die kende? Ik knikte beamend. Spontaan borrelde een melodie in haar omhoog. Met gesloten ogen en heldere stem begon ze een strofe te zingen. Ik neuriede zachtjes met haar mee. “Zo prachtig ”fluisterde ze.  “Ik heb vaak opgetreden met het koor. Maar het is vorig jaar opgeheven.  En nu zing ik niet meer” liet ze er spijtig op volgen. Ze zat gevangen in haar herinnering en leek even vergeten waar ze was en waarom ze hier was. Ik wachtte tot ze verder zou vertellen. “Ik leerde een man kennen, een keurige heer die ook naar de zondagmiddagconcerten ging die ik elke week met mijn vriendin bezocht”sprak ze. “Hij sprak ons een keer aan en zo raakten we bevriend. Toen werd mijn vriendin ziek. Maar ik ging toch elke week naar de concertzaal en daar was hij ook. We werden goede vrienden.  Alles in het nette hoor” Dat laatste zei ze nadrukkelijk, alsof ze mij ervan wilde overtuigen dat ze echt geen andere bedoelingen had dan alleen deze vriendschappelijke relatie. Ik glimlachte naar haar. Daardoor aangemoedigd vertelde ze verder: “ Zo gingen we jarenlang in vriendschap met elkaar om. Tenslotte kwam hij ook bij mij thuis, dan dronken we een kopje thee en ‘s avonds ging hij dan weer naar zijn eigen huis. Ik raakte aan hem gehecht. Het was fijn, ik voelde me niet meer zo alleen. Mijn vriendin was overleden. Mijn man was al meer dan veertien jaar dood”  Het was alsof zij zich verontschuldigde voor haar hechtheid aan deze vriendelijke man. Ze benadrukte nog eens dat ze geen partnerrelatie had met hem, alleen vriendschap en daaraan had ze behoefte en genoeg. “Ik liet hem in mijn huis, maar niet in mijn leven”zo legde ze het uit. . Maar toen werd ik ziek” zei ze.  Opeens stonden er tranen in haar ogen. “Ik moest naar het ziekenhuis voor een operatie. Ik had borstkanker en daar was ik vreselijk van geschrokken. Ik had nog nooit in het ziekenhuis gelegen en ik was bang dat ik de operatie niet zou overleven”.

Haar ogen staarden in de verte, ze dwaalde af met haar gedachten. Waarheen?

“Toen ik uit het ziekenhuis kwam”, ging ze verder “stond hij opeens met zijn koffer in de hand en zei dat hij wegging. Ik was onthutst. En boos. Waarom liet hij me in de steek? Juist nu? Ik werd zó boos dat ik de deur voor hem opende en hem naar buiten duwde. Ga maar, zei ik, en kom nooit meer terug! Hij struikelde over zijn koffer, buiten op de galerij. Ik heb niet meer naar hem gekeken en heb de deur achter hem dicht gegooid”

En weer kijkt ze me recht aan met haar heldere blauwe ogen. Het verhaal neemt deze andere wending. Voelt ze verdriet? Schuld? Schaamte?

“Mevrouw”, zei ze, “die man viel door de mand. Hij wilde hele andere dingen dan ik en toen ik ziek werd ging hij er als een haas vandoor. Ik schaam me zo dat ik me zó vergist heb in hem. Ik schaam me dat ik zo stom geweest ben. Dat ik erin getrapt ben.  Mijn kinderen waren het nooit eens met deze vriendschap en hebben mij gewaarschuwd. Maar het was zo’n keurige man en ik wilde hen niet geloven.  En daar schaam ik me voor. Nu voel ik me alleen. Ik wil mijn kinderen niet lastig vallen met mijn verdriet. Daarom ben ik hier. Dank u wel dat u naar me hebt willen luisteren, dat ik vrijuit heb kunnen praten”.

Met die woorden stond ze op, nam haar stok, gaf me een stevige hand, schonk me een warme glimlach  en liep kaarsrecht de kamer uit.

Een tragische verbroken vriendschap, dacht ik, dat is iets van alle tijden, van alle leeftijden. Het treft ook deze grijze dame. Op een kwetsbare leeftijd waarop je al zo vaak afscheid hebt moeten nemen. Ze is 93 jaar!

{mos_fb_discuss:2}

 

Co lumns

  • Een aforisme van Rochefoucauld, en het is na eeuwen nog altijd geldig. Wij zijn natuurlijk morele mensen. In het diepst van onze gedachten denken we instinctief dat we goede mensen zijn. Ja, terugkijkend op ons leven, moeten we vaststellen: we mogen er zijn. Hier en daar blinkt een prachtige daad van morele uitnemendheid, en onze lage streken zijn eigenlijk 'vergissingen'…
    Lees meer...
  • Juist als vrouw zou ik in staat moeten zijn moeiteloos veel verschillende dingen tegelijk te doen. Althans, zou luidt de heersende overtuiging. In de strijd tussen de sexen is een van de wapenfeiten van vrouwen dat zij fenomenale duizendpoten zijn, terwijl mannen met hun inflexibele brein maar met een ding tegelijk bezig kunnen zijn. Dat idee doet me nogal twijfelen…
    Lees meer...
  • Ik roep als professional altijd, dat je zelf het grootste instrument bent dat je hebt. Je gebruikt je eigen mening en ervaringen als referentiekader en probeert van daar uit aansluiting te vinden bij de groep. Soms in de overeenkomsten, soms juist uitgaande van de verschillen. Bij sommige gespreksonderwerpen ligt dit wat lastiger. Zeker als het zaken betreft die gevoelig liggen…
    Lees meer...

Tref woor den

Contact

Kenniscentrum Psychologie (KCP)
Voorstraat 437a
Dordrecht 3311 CT
contact@kenniscentrumpsychologie.nl
KvK-nr. 24409026/ BTW-nr. 81.75.63.623.B/
Rabobank 13.17.97.867