Baaldag
De dag wilde niet deugen. Om half zeven meldde hij pesterig met loeiende sirene zijn komst. Half slaperig gaf ik hem een dreun op zijn kop om nog tien minuten van de nachtelijke uurtjes af te snoepen. Daar kun je op trainen: wekker knock-out slaan, nog tien minuutjes sluimeren, dan opstaan. Dat gaat altijd goed, maar deze dag liet niet met zich sollen. Hij had zich deze keer beledigd terug getrokken en drie kwartier later schoot ik met een schok wakker. Eigen schuld, wie niet horen wil… Ik sprong uit bed, maakte haastig met een handvol koud water mijn gezicht wakker, schoot in de kleren van de vorige dag, door een hulpvaardige hand van bovenaf gelukkig niet binnenstebuiten, ondersteboven of achterstevoren, en spoedde mij met m’n jaspanden flapperend achter me aan en een half opgegeten boterham in de hand de lift in waar de hond van de buren zich bedacht dat hij nog geen ontbijt had gehad en mijn boterham weg hapte. Ik snelde naar mijn auto, startte de motor en baande me een gejaagde weg door de ochtendspits in de hoop toch nog net vóór de eerste cliënt de praktijk binnen te stappen. Dat lukte tot halverwege het traject. Daar staat een stoplicht dat ik in de vijf jaar dat ik deze route rijd, nog nooit méé had. Ik verdenk de gemeente er al jaren van dat dit een onthaaststoplicht is, je staat er minimaal een kwartier voor te wachten, bij groen kan er maar één auto door en het vraagt van de voorste auto uiterste oplettendheid en een snelle sprint anders is-ie te laat en staan we met zijn allen nog langer te wachten. Gelaten voegde ik me achter de rij wachtenden. Ik keek om me heen en ving de blik van de buschauffeur uit de bus naast me. Hij gebaarde. Man, kijk voor je, dacht ik geïrriteerd. Maar hij bleef bezig, ik begon te vermoeden dat hij iets zeggen wilde. Hij opende zijn raampje, nog steeds ergens op wijzend. Ik opende ook mijn raampje. “U heeft een lekke band” riep hij, “rechts voor” Oh! Echt? Daar had ik niks van gemerkt. Ik stapte uit en ja hoor, de rechtervoorband had het loodje gelegd. Wat nou? Ik kon niet uit de rij, voor en achter me stond het vast en er was geen zijstraat waarin ik kon vluchten. Dus ik bleef maar staan en bedacht me om bij de eerste gelegenheid uit de file te gaan en de band te verwisselen. Hoofdschuddend sloot de buschauffeur zijn raampje weer. Nu kwam ik zéker te laat op mijn werk. Bellen dan maar. Ik keerde mijn tas binnenste buiten om te ontdekken dat de GSM op de keukentafel was blijven liggen. Geen verbinding te maken.
Ruim anderhalf uur later kwam ik op mijn werk aan. De eerste twee cliënten waren onverrichter zake maar weer naar huis gegaan. Ik belde hen om excuus te maken en een nieuwe afspraak. Verslapen. Lekke band. Klonk als een smoesje. Hmm. De volgende cliënt kwam niet opdagen en de daarop volgende belde tien minuten voor tijd af. Het daarop volgende uur zaten er opeens twéé cliënten die beiden beweerden op hetzelfde uur een afspraak te hebben en die geen van beiden in mijn agenda stonden genoteerd. Er kwam ’n derde binnen, deze cliënt stond wel in mijn agenda genoteerd op dit uur. Verwarring alom, wiens fout was dat? Laf gaf ik hun de schuld. Bij één van hen was dat ook zo, die was de tijd vooruit gesneld en was een week te vroeg. Bij de ander kwam ik daar niet mee weg, ze toonde me haar afsprakenkaart waarop duidelijk in mijn handschrift dag en uur geschreven stond. Ook dat nog, een dubbele afspraak. Ik trok het boetekleed aan en offerde mijn lunchpauze. Eigen schuld. De hele dag was ik opgejaagd en ging er mis wat er mis kon gaan. Om vijf uur trok ik opgelucht de deur achter me dicht in de hoop nog bij de garage terecht te kunnen om mijn noodband te laten vervangen door een nieuwe band. Ik kon het net redden, ware het niet dat mijn plannen werden gedwarsboomd door dat vermaledijde stoplicht. Garage dicht. Ik sukkelde naar huis met mijn noodbandje, zette de computer aan in de hoop dat er iemand een leuk berichtje in mijn mailbox gedeponeerd zou hebben. Storing! Geen verbinding; het zou zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ik voel me altijd afgesloten van de buitenwereld als ik geen verbinding heb met internet, kent u dat gevoel? Dat irriteert mateloos. Dan maar een eindje lopen, tenslotte is dat méér verbinding met de buitenwereld dan de digitale weg. Op de brug stond ik stil en keek naar het schip dat er juist onderdoor voer. Ik had er intussen behoorlijk te pest in. Zwartgallig dacht ik: “Wat zou er gebeuren als ik spring? Zou die schipper schrikken als ik als een zoutzak naar beneden kom vallen? “ Het was maar een gedachte. Zonder intentie uiteraard. Ik wandelde verder en volgde het schip nog een poosje langs de oever. Tot het donker begon te worden en ik huiswaarts keerde. Ik sloot de gordijnen en sloot de dag die niet deugen wilde onverbiddelijk buiten. Besloot een warm bad te nemen en vroeg het dekbed tot over mijn oren te trekken. Aldus geschiedde. De volgende morgen deed internet het weer en had ik, o wonder, de stoplichten méé.
| < Vorige | Volgende > |
|---|

