Alzheimer

Haar smalle, witte, dooraderde handen liggen stil in haar schoot. Ze mogen nu rusten van een leven lang hard werken. Vroeger stonden haar handen nooit stil, ze deed de was nog op de hand, ze draaide de zware slinger, ze haakte, breide, kookte en bakte lange jaren. Haar handen zorgden, streelden en troostten. Slaan hebben haar handen nooit gedaan.
“Ik wil honderd jaar worden”
herhaalt ze keer op keer als ik bij haar
op bezoek ben. “Hou nog even vol” antwoord ik dan, “je bent al een eindje op weg”. Haar lichtblauwe ogen die vroeger zo konden
stralen lijken in het niets te kijken. Alsof er een waas over haar ogen ligt,
ze leeft in haar eigen binnenwereld. Soms kijk ik samen met haar naar oude
foto’s. Ze herkent zichzelf. Maar wie is die man toch die naast haar staat?
Verbaasd probeert zij in haar geheugen te graven, hij komt haar vaag bekend
voor. Het is haar man. Ze was bijna zestig jaar met hem getrouwd voordat hij
jaren geleden overleed. Ze herkent hem niet meer. Zij herkent ook haar
kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen niet meer, ofschoon iedereen
haar vrijwel wekelijks bezoekt. Dan is ze altijd blij, hoewel ze niet weet wie
je bent, dan herhaalt ze eindeloos dat
ze honderd jaar wil worden, dat de bloemen zo mooi staan en dat ze hoopt dat
het niet gaat sneeuwen vandaag terwijl het buiten warm is voor de tijd van het
jaar. De zuster van het tehuis waar ze al enkele jaren verblijft komt langs. Ze
heeft een zorgplan bij zich en wil dat bespreken. Ik pak de uitdraai van haar
aan en lees: Alzheimer. Ja, dat weet ik wel, maar moet dat zo zwart-op-wit
onder mijn neus gelegd worden? Tegen beter weten in wil ik dat niet lezen.
Alzheimer: ik heb haar zien wegzinken in haar eigen stille wereld de afgelopen jaren, vlak na de dood van haar
man een depressie, daarna de angstige ogen als er iemand aan de deur belde, het
gas aan laten staan en de zwart geblakerde pannen. Vergeten welke dag het is,
welke maand, welk seizoen en ’s avonds in het donker, ver na sluitingstijd, nog
boodschappen gaan doen bij de supermarkt op de hoek. Gladde praatjesmakers aan
de telefoon verkochten haar allerlei abonnementen die ze helemaal niet nodig
had, de kamers die ze niet meer schoon kon houden, de verhuizing naar dit tehuis, toen het thuis
echt niet langer ging. En hier, hier ging het proces verder, ze kende onze
namen niet meer, haar geheugen werd steeds zwakker, niet alleen haar korte
termijn geheugen, ook gebeurtenissen van lang geleden ging ze zich steeds
minder herinneren, haar familie ging ze steeds minder herkennen, hoewel ze
altijd de indruk geeft wel aan te voelen wie “eigen” is en wie niet. Tenslotte
een algeheel decorumverlies, boterhammen die wij overal vinden, plakjes kaas
die ze verstopt, de zoom uit haar rok waar ze geen erg meer in heeft,
boodschappenlijstjes die wij overal vinden . Ze leeft in het moment, wat er was
en wat er komt weet ze niet meer. Ze lijkt heel tevreden met haar bestaan, ze
moppert nooit, maar ze denkt dat ze niet van haar kamer af mag van de zusters.
Daarom maakt ze nooit een wandelingetje door het huis, ontmoet ze nooit
medebewoners, tenzij de zusters haar komen halen of als wij met haar een stukje
wandelen. Haar wereld is zo klein geworden, wat denkt ze, wat voelt ze, wat
maakt haar blij en wat maakt haar bang of verdrietig, wat drijft haar als ze
zegt: “Ik wil honderd worden” Er is geen emotie op haar gezicht, haar
lichtblauwe ogen kijken dwars door je heen naar een horizon die voor ons niet
waarneembaar is, haar smalle witte handen rusten in haar schoot. Alzheimer:
haar geest zakt steeds verder weg. Ze glimlacht. Lijdt zij? Of lijden wij?
| < Vorige | Volgende > |
|---|

