Tranen en trillen
Liever bang dan boos? Niet zomaar een paniekstoornis
Trillend van de zenuwen komt Astrid, een goed verzorgde vrouw van middelbare leeftijd, voor de eerste keer mijn spreekkamer in. Ik maak het gebruikelijke chitchat-praatje over 'het vinden van de weg' om het ijs te breken, maar er volgt een stortvloed aan tranen en trillen. Astrid is volledig over haar toeren, duikt voorover in haar stoel, hoofd bijna tussen haar benen, handen in het haar: "sorry hoor, ik weet niet wat ik heb… dit heb ik dus dagelijks.. ik heb mezelf niet meer in de hand, sorry hoor…".
Normaal gesproken bestaat het eerste gesprek uit 'onderzoeken wat er aan de hand is' en het nagaan van vele klachten- en levensgebieden. Het gesprek met Astrid kenmerkt zich echter door tranen en verontschuldigingen voor haar tranen. Geen woord mijnerzijds blijkt geruststellend, alles is een impuls voor meer tranen en verontschuldigingen. Ik sta machteloos tegenover deze muur van tranen, ze ziet of hoort me niet.
Een week later is Astrid rustiger. Ze is erg geschrokken van haar emoties in het eerste gesprek en vraagt me waardoor dat zou kunnen komen. Ik waag me niet aan een verklaring, maar sowieso blijkt geen van mijn antwoorden bij Astrid aan te komen. Duidelijk wordt een patroon van 'vragen stellen' maar het antwoord niet horen omdat ze al bij de volgende vraag is. Irriterend, registreer ik bij mezelf, nog op zoek naar een diagnostisch beeld. Afhankelijke presentatie, maar tegelijk machteloos makend. Als ze dit ook doet met mensen uit haar eigen omgeving, dan moeten er wel veel misverstanden en onenigheden ontstaan. Al structurerend en interrumperend word me duidelijk dat er sprake is van een paniekstoornis met een forse hoeveelheid vermijding.
Psycho-educatie over de instandhoudende factor van de vermijding pakt Astrid goed op, maar ze realiseert zich ook dat ze 'eraan moet' en wordt zenuwachtig. Met een concreet plan, zelfbedachte helpende gedachtes, ademhalingsoefeningen en een volgens haar haalbaar doel voor ogen, lukt het Astrid echter in een paar weken tijd om veel vermijdingsgedrag op te geven. Ze weet niet wat haar overkomt; opeens rijdt ze weer auto, pint ze 'gewoon' geld uit de muur en durft ze winkels in te gaan. Hoe moeilijk het begin leek, zo snel lijkt het einde van de behandeling in zicht te komen, we bouwen af in frequentie. Astrid voelt zich bij dit alles heerlijk, 'ik ben veel sterker dan ik dacht'. Maar tegelijk met het besef van eigen mogelijkheden, ontstaat er een hoop verdriet over wat ze allemaal heeft gemist. Altijd schrijnend, hoe hard de klap van nieuwe ontdekkingen kan aankomen. Je kunt pas verder met de therapie als hier ruimte voor is geweest. In die tijd komt er bij Astrid een forse irritatie naar anderen omhoog.
De hoeveelheid affect in het eerste gesprek was misschien al een indicatie, maar Astrid blijkt een behoorlijk temperamentvolle vrouw, met een stevige set aan normen en waarden en gelukkig ook een aanzienlijke dosis humor. Ze is opgegroeid als klein zusje van vier broers, wat behoorlijk bepalend blijkt te zijn. Ze kon niet tegen hen op. Met humor kon ze soms de aandacht vangen en nog iets naar haar hand zetten, maar ze is gewend het doorgaans niet te redden in de strijd wie bepaalt wat er gebeurt en hoe dingen gaan. Nu wil ze zich in haar volwassenheid gaan gedragen naar haar eigen goeddunken, maar deinst terug door haar felheid. Ik twijfel, moet ik haar weer wekelijks gaan zien? Het is donderdagochtend en Astrid zit in zichzelf gekeerd en vertwijfeld voor me. Ze is weer vaak bang. Een herhaling van al het reeds geleerde glijdt van haar af, 'dat weet ik allemaal wel'. Meer intuïtief geleid dan door methodische argumenten, hoor ik mezelf zo'n vijf minuten voor het einde van de zitting (veel te laat, omdat er geen kans bestaat om het er grondig over te hebben) zeggen: "ik heb de indruk dat je misschien liever bang bent dan boos". Er valt een stilte, ze kijkt me aan. Ze gaat die dag verwarder m'n kamer uit dan ze hem in kwam. Ik blijf onzeker achter; ik heb haar met iets moeilijks naar huis gestuurd en heb haar ook niet aangeboden om weer sneller te komen dan onze vaste afspraak over drie weken. Heb ik hier wel goed aan gedaan?
Drie weken later, Astrid komt de lift uit stappen. Een goed teken, aangezien ze liften voorheen altijd meed. Kennelijk is ze niet honderd procent terug gevallen. Ze heeft haar jas nog niet uit of ze zegt: "nou, je hebt wel iets losgemaakt, zeg". Ze is enorm boos op me geweest, "alsof het een keuze is en ik het fijn vind om bang te zijn". 'Mooi', denk ik, 'eindelijk weer eens boos, kom maar op'. Ik laat het uit m'n hoofd dit hardop uit te spreken. Astrid vertelt dat het in haar hoofd bleef rondzingen. Elke keer dat ze voelde dat ze het warmer kreeg en ging trillen, moest ze er aan denken. 'Ben ik nou bang of ben ik misschien boos?'
De twee emoties hadden inderdaad een relatie, had ze ontdekt. Elke keer als Astrid zichzelf irriteerde en wilde opkomen voor zichzelf of iets wilde rechtzetten, kreeg ze het warm en voelde ze zich trillerig. Schrikken, want 'dan ben ik dus bang', aldus Astrid. Dat deze lichamelijke sensaties echter ook bij boosheid passen, daar was ze zich niet eerder bewust van geweest. Maar niet altijd was het zo duidelijk, soms voelde ze alleen angst en bleek pas na het onderzoeken van die situaties, dat de angst de functie had om de boosheid naar de achtergrond te dringen. Ze kon nog niet zonder de angst. Natuurlijk niet, want het was helemaal nieuw voor haar om bewust boos te kunnen zijn. We hebben er goed met elkaar over kunnen praten, wat ook volstrekt nieuw voor haar was; ze werd niet weggewuifd, niet terzijde geschoven. Als volwassen vrouw was Astrid niet machteloos. Ze was bang en vroeg daarom hulp, maar wilde tegelijkertijd vaak geen hulp aannemen. Dit maakte haar omgeving machteloos en machteloosheid verdragen wij mensen maar moeilijk. Het maakt ons boos. Zo besteedde Astrid haar boosheid onbewust uit. Irritatie en gevoelens van machteloosheid werden de thema's van behandeling. Precies de gevoelens die ik in het begin van de behandeling bij mezelf registreerde. Terugvalpreventie bestond vanaf dat moment uit 'boosheid mogen voelen en ontdekken hoe je daar realistisch mee om kan gaan'. Astrid kon redelijk mild balanceren tussen 'te weinig boos, assertief' en 'te dominant, agressief'. Ze was in ieder geval een stuk minder bang en stond voor het eerst volop in het leven.
Katja Pereira, psychotherapeut
Dit was een artikel waarin een casus psychotherapie werd beschreven. Voor meer interessante artikelen kunt u een abonnement afsluiten bij Silhouet voor slechts 39 euro per jaar.
| < Vorige | Volgende > |
|---|

