Podiumangst
Podiumangst is een normaal verschijnsel voor iedereen die gaat optreden. Het hoort er gewoon bij. Iedereen weet dat het er altijd kan zijn. Podiumangst uit zich fysiologisch en cognitief. Wanneer de angst te hoog wordt kunnen lichaamsgerichte en cognitieve technieken dan ook helpen. Bij 'normale' podiumangst blijkt voorlichting een goede remedie te zijn. Een gedegen voorbereiding, zelfvertrouwen en een sterke concentratie helpen om de angst onder controle te houden.
Podiumangst wordt ook wel aangeduid met de termen 'plankenkoorts' of 'stage fright'. Deze hebben ongeveer dezelfde betekenis, zij het dat plankenkoorts vooral de betekenis heeft van dat onbestemde, 'koortsachtige' gevoel van nervositeit achter de coulissen, terwijl voor podiumangst geldt dat de angst op meer momenten kan spelen dan alleen vlak voor je op moet. Daarom zal hier de term 'podiumangst' consequent gebruikt worden. Bovendien maakt de term podiumangst duidelijk dat het om angst gaat, voor of tijdens de uitvoering. Deze angst gaat gepaard met lichamelijke verschijnselen, zoals snelle of diepe ademhaling, een verstikkend gevoel, hartkloppingen, trillen en beven, misselijkheid, buikklachten, overmatig transpireren. De buitenwereld kan door die angst als onwerkelijk beleefd worden; je hebt het idee geen greep meer op jezelf te hebben. Gedachten over falen voeren de boventoon.
{mospagebreak title=Niet te voorspellen}
Podiumangst laat zich meestal niet voorspellen
Verschijnselen van podiumangst kunnen bij iedere openbare uitvoering voorkomen, maar ze kunnen ook optreden bij een bepaalde partij, bij een solo bijvoorbeeld, in een bepaalde zaal of bij een bepaald publiek. Podiumangst manifesteert zich in omstandigheden, die voor ieder verschillend kunnen zijn. Het optreden van podiumangst laat zich meestal niet voorspellen. Het tijdstip waarop de podiumangst zich voordoet, kan voor iedereen anders liggen. Meestal is het echter zo dat podiumangst in de tijd voorafgaande aan de uitvoering langzaam oploopt, een piek vertoont direct voorafgaand en tijdens het begin van de uitvoering en daarna weer sterk daalt. Angst is, hoe onaangenaam de ervaring ook moge zijn, op zich een normaal en nuttig gevoel. Oog in oog met een reëel gevaar heeft de emotie angst een signaalfunctie, die de mens in een onmiddellijke staat van paraatheid stelt om te vluchten of te vechten. Zonder de waarschuwing van de angst zou een mens in echt gevaarlijke situaties, zoals een natuurramp of een bankoverval, niet alert zijn en niets ondernemen. Angst kan echter ook optreden in situaties die objectief gezien niet gevaarlijk zijn en die dus geen aanleiding tot angst zouden moeten geven, zoals de angst van podiumkunstenaars. Het podium is geen plaats waar levensgevaar dreigt. Toch kan iemand daar worden overvallen door dezelfde angstgevoelens als de autobestuurder, die een tegenligger op zijn baanhelft op zich af ziet komen.
{mospagebreak title=Waarschuwingssignaal}
Waarschuwingssignaal
Een eerdere podiumervaring die heel veel angst opriep, kan bij de volgende optredens doorwerken. Aan een onvoldoende voorbereide uitvoering kun je met angst en beven terugdenken. Deze herinnering kan zo sterk zijn, dat de angst blijft bestaan, terwijl de gewraakte situatie allang voorbij is. Hier fungeert de onuitwisbare herinnering aan de - toen reële - angst eveneens als waarschuwingssignaal. Zonder herinnering van de angst zouden we ezels zijn, die zich voor de tweede keer aan dezelfde steen gaan stoten. Het ervaren van de angst dient juist als prikkel, als stimulans, om op een constructieve manier toe te leven naar een soortgelijke situatie, als waarin de angst je overviel. De herinnering attendeert op de noodzaak van een goede voorbereiding. Podiumangst wordt dan ook vooral gezien als vorm van 'voorbereidings-' of anticipatoire angst. Anticipatieangst is doorgaans 'normaal', en is zeker normaal voor een situatie waarin een complexe prestatie moet worden geleverd. Podiumangst dient als een soort realiteitstest. Tegelijkertijd geldt bij de podiumkunst dat elk optreden 'nieuw' is, met onvoorspelbare kanten. Je kunt uitglijden, een snaar kan knappen, je kunt je partij kwijt zijn of valse noten spelen. Bij het onbekende hoort angst. Ontkennen van angst is funest, angst laat zich niet wegstoppen. Op ongelegen momenten en op misleidende manieren steekt angst toch de kop op.
Angst is een emotie, die zich op twee manieren kenbaar maakt. In de eerste plaats treden lichamelijke veranderingen op. Iedereen die optreedt, maakt in meer of mindere mate de meest kenmerkende lichamelijke verschijnselen van podiumangst mee. Dit zijn trillende spieren (een hand, een knie), hartkloppingen, warm worden en transpireren of een droge mond en keel. Deze lichamelijke of fysiologische toestand wordt ook wel 'arousal' genoemd. De andere bewustwording van angst gebeurt via onze gedachten. De angst 'zegt': 'dit kan ik niet, dit overleef ik niet, zat ik hier maar niet,' of zinnen van gelijke strekking. De angstwaarnemingen vanuit lichaam en geest hangen nauw met elkaar samen en beïnvloeden elkaar ook, maar zijn op zich afzonderlijk te registreren. Vooral de sterkte van de fysiologische opwinding heeft een beslissende invloed op de wijze waarop een prestatie wordt volbracht. Een bepaalde mate van angst is nodig. Maar de arousal mag noch te hoog, noch te laag zijn. Een te hoog of te laag `angstniveau' werkt bij het leveren van een prestatie niet goed. Volgens een bekende theorie, de zogenaamde wet van Yerkes en Dodson, zou een kromlijnig, in de vorm van een omgekeerde u, verband bestaan tussen angst en de kwaliteit van een prestatie.
{mospagebreak title=Optimale prestatietaak}
Optimale prestatietaak
Een lage lichamelijke opwinding, of een lage fysiologische arousal leidt tot verveling en ongeïnteresseerdheid. Je voelt je niet geroepen om je in te spannen. Bij (te) hoge opwinding word je in de eerste plaats behoorlijk gehinderd door de fysiologische reacties. Ook moet je te veel aandacht geven aan manieren om de angst te verminderen, en dit gaat ten koste van de aandacht die nodig is voor de uitvoering zelf. Bij een middelhoog opwindingsniveau wordt een prestatietaak optimaal uitgevoerd. Het is dus de kunst om in alle situaties, die bij een uitvoering horen, op het 'juiste' arousalniveau te komen en te blijven. Dit niveau wordt in de vakliteratuur aangegeven met de term 'facilitating performance anxiety'. Hoewel lastig te vertalen, kan dit de 'prikkeling of stimulans voor goede prestaties', de goede zijde van podiumangst, genoemd worden. De term verwijst naar het tintelende gevoel van angstige opwinding dat samengaat met goed presteren in uitdagende situaties. Het geeft een prettig gevoel een moeilijke situatie en de eigen angst de baas te kunnen. Iemand met heel veel podiumervaring zei: "Ik voel een positieve spanning, een zekere opgewektheid, maar natuurlijk bovenal concentratie, een opgeschroefd concentratievermogen". Het luistert nauw, want buiten die zone van de stimulerende werking maakt een te laag of te hoog angstniveau het adequaat handelen in (gevaarlijke) situaties juist moeilijk of onmogelijk. Een te laag arousalniveau kan bijvoorbeeld voorkomen bij een deel van de uitvoering, waarin voor een bepaalde partij niet zoveel te beleven valt. Ook bij het studeren kan een te lage arousal je parten spelen. Je moet oefenen, maar je komt maar niet op gang. Je bent ontevreden, onzeker en passief. Noodzakelijke acties worden steeds uitgesteld. Meestal zal een te hoge arousal de grootste problemen veroorzaken. In extreme gevallen komen blokkades (ook wel block of black-outs genoemd) voor; de 'stoppen' zijn doorgeslagen, en je weet of voelt niets meer. In deze toestand is spelen onmogelijk.
Angst wordt vanaf drie kanten 'opgebouwd'. De eerste is de aanleg om angstig te worden. Om onduidelijke reden is niet iedereen even gevoelig voor angstindrukken. De een is sneller van slag door negatieve evaluaties dan een ander. Soms wordt beweerd dat er een zekere 'aanleg' voor podiumangst zou bestaan, die samenhangt met angst voor publieke waardering. De tweede kant van angst betreft de mate van taakbeheersing. Een inadequate voorbereiding zal, als natuurlijk gevolg, angst veroorzaken. Evenzeer is de mate van omgevingsstress een belangrijk punt. Onder hoge sociale druk zal eerder over-arousal optreden (bijvoorbeeld bij een auditie of een concours). Bij het onderzoeken van een te hoge opwindingstoestand is het dus nuttig tot een goede 'diagnose' van de angst te komen. Een hevige angst voor een foutieve inzet zal met geen pil te verhelpen zijn, wanneer deze angst is toe te schrijven aan een gebrekkige voorbereiding of onvoldoende competentie.
{mospagebreak title=Podiumangst hoort er bij}
Podiumangst hoort er bij!
Podiumangst is dus tot op zeker niveau een normaal verschijnsel. Het hoort net zo goed bij een optreden, als de voldoening en het applaus achteraf. Mits niet té erg is er niets mis mee. Toch wordt ook wel gesteld dat er met podiumangstige mensen iets 'mis' is. Bedoeld wordt dat de angst pathologisch of neurotisch van aard zou zijn. Deze visie vindt zijn wortels hoogstwaarschijnlijk in de muziekgeschiedenis waarin talloze voorbeelden van musici met psychische stoornissen te vinden zijn. Robert Schumann leed aan een ernstige vorm van depressiviteit. Mozart zouden we vandaag de dag voor behoorlijk gek verslijten. Ook Rachmaninov had een zware depressie; het is bekend dat hij daarvoor hulp zocht bij een psychoanalyticus. Mahler riep de hulp in van niemand minder dan Freud; we weten dat ze al wandelend een gesprek voerden in Noordwijk. Deze gegevens zijn interessant voor psychologen, maar hebben op zich met het verschijnsel podiumangst niet zo veel te maken. De voorbeelden voeden de stereotiepe gedachte dat (podium)kunstenaars eigenlijk nogal 'raar' moeten zijn, omdat dit nodig is voor de inspiratie. Ook in de psychologieliteratuur wordt wel eens een verband tussen podiumangst en een neurotische aanleg gesuggereerd. Het fenomeen (heftige) angst wordt dan als neurotisch mechanisme opgevat. 'Gewone' mensen zouden in staat zijn hun angsten beter te beheersen. Vanwege deze redenering mijden sommige podiumangst-auteurs het woord angst; zij spreken bij podiumangst bijvoorbeeld liever over kwetsbaarheid of gevoeligheid. (Een voorbeeld is de pianodocente M. Bruser, 1997.) Dit zijn misleidende termen, podiumangst is een angst, maar geen angst die per se het stempel neurotisch hoeft mee te krijgen.
{mospagebreak title=Podiumangst is geen sociale fobie}
Podiumangst is geen sociale fobie
Een overdreven angst voor optreden in het openbaar wordt in het vakgebied van de psychiatrie tot de sociale fobieën gerekend. Daar is echter alleen sprake van wanneer angsten zich voordoen in vrijwel elk sociaal verkeer, zoals op feestjes, tijdens een vergadering of in een menigte. Er zijn geen aanwijzingen dat sociale fobieën onder podiumkunstenaars meer voorkomen dan onder de algemene bevolking. Een bewijs dat een sociale fobie iets anders is dan podiumangst blijkt uit onderzoek naar geneesmiddelengebruik (Liebowitz e.a., 1988). Mensen met een sociale fobie worden niet beter door het slikken van bètablokkers, terwijl een aantal angstige podiumkunstenaars wel baat heeft bij dit middel. Podiumangst moet evenmin worden verward met angst om in het middelpunt te staan. Dit is een angst die alleen al bij de gedachte om door anderen bekeken en beoordeeld te worden, optreedt. Wanneer zij in het middelpunt staan, voelen mensen met deze angst zich ellendig en vernederd. Ze kiezen voor een leven waarin zo min mogelijk aandacht op hen gericht is. Soms wordt podiumangst vergeleken met examen- of spreekangst. In deze opvatting is podiumangst hoofdzakelijk het gevolg van taaie, irrelevante gedachten, zoals tobben over de uitvoering, gepreoccupeerd zijn op wat er mis kan gaan, of vergezochte ideeën over gezichtsverlies. Podiumangst is echter veel complexer. De lichamelijke component weegt in ieder geval altijd zwaar en is soms dé cruciale factor. Bij een lezing of spreekbeurt zijn trillende polsen ook heel vervelend, maar ze hoeven het uitspreken van de tekst niet te beletten. Een trilarm maakt het zuiver spelen van een langzame noot praktisch onmogelijk. Bij een lezing kan het spreektempo worden aangepast, een kleine pauze om even op adem te komen is niet storend. In de muziek bestaan deze ontsnappingsmogelijkheden niet. Een lezing kan qua presentatie belabberd gaan en toch positief gewaardeerd worden, omdat de inhoud interessant is. Zoiets is bij een kunstuitvoering onmogelijk. Haperend gespeelde noten worden meteen afgestraft. Podiumangst wordt ook wel eens met de term 'positieve faalangst' aangeduid. Afgezien van het feit dat deze beschrijving onduidelijk is, wordt hiermee te veel accent op het falen gelegd. Bij een uitvoering is het toewerken naar niet-meer-falen een misleidend doel. Een uitvoering is immers niet alleen goed of fout, zoals een berekening van een som goed of fout is. Een technisch foutloze uitvoering is een knappe prestatie, maar kan toch helemaal verkeerd klinken.
{mospagebreak title=Subjectieve beleving}
Subjectieve beleving
Bijna iedere studie over podiumangst begint met de vraag hoe vaak het eigenlijk voorkomt. Meestal wordt gevraagd naar die vorm van podiumangst, die als 'te belastend' wordt ervaren. Gezien de verschillende interpretaties die aan het begrip podiumangst gegeven (kunnen) worden, zeggen getallen niet heel veel. Podiumangst is voor een groot deel een subjectieve beleving. De een benoemt een vaag gevoel in de maagstreek al als podiumangst, terwijl een ander hyperventilatieaanvallen bij de repetities niet toeschrijft aan podiumangst. Een interessant gegeven is dat mensen, die zichzelf podiumangstig noemen, ook menen dat het vaker voorkomt bij anderen. Dit is opmerkelijk omdat je eerder zou verwachten dat een angstig iemand vreest dat hij de 'enige' is, die niet tegen de situatie opgewassen is. Deze gedachten spelen namelijk bij mensen met sociale angsten. Bij podiumangst werkt het anders, daar speelt eerder: 'als ik het heb, zal iedereen het wel hebben.' Het omgekeerde doet zich ook voor. Musici zonder sterke podiumangst blijken zich moeilijk te kunnen inleven in collegae, die écht podiumangstig zijn. Zij die zichzelf niet angstig vinden, denken dan ook dat het aanzienlijk minder vaak voorkomt.
Uit de verschillende publicaties blijkt dat twintig tot vijftig procent van de podiumkunstenaars last zou hebben van podiumangst. In onze enquête onder amateurmusici (Wippoo & Citroen, 1998) gaf ruim twintig procent aan onder podiumangst te lijden. Uit een Brits onderzoek bij 1600 professionele orkestmusici (British Association for Performing Arts Medicine, 1996) zou echter liefst zeventig procent podiumangst ervaren, en wel zodanig dat de kwaliteit van het spel eronder lijdt. Weer een ander onderzoek bij beroepsorkesten (Fishbein e.a., 1988) beschrijft dat negentien procent vrouwen en veertien procent mannen last hebben van podiumangst. Ook in ander onderzoek (Abel, 1990) wordt wel de indruk gewekt dat vrouwen iets meer en vaker podiumangst zouden hebben. Het verschil is echter klein, en kan ook betekenen dat vrouwen makkelijker dan mannen willen toegeven onder podiumangst gebukt te gaan.
Ook over de leeftijd zijn geen harde feiten bekend. Bij ouderen zou minder podiumangst spelen. Dit zou kunnen betekenen dat podiumangst met het klimmen der jaren afneemt. Maar ook dit kan een onjuiste conclusie zijn. Mogelijk maken de getallen alleen duidelijk dat oudere mensen, die nog steeds met podiumangst worstelen, allang van het toneel verdwenen zijn.
Pim Wippoo en Liesbeth Citroen-Warners zijn klinisch psychologen/psychotherapeuten en muziekliefhebbers. In 1998 verscheen Podiumangst, speciaal geschreven voor klassieke musici. In 2002 verscheen in de serie 'Zorgen voor jezelf' het boekje Alle ogen gericht op... met adviezen en tips voor iedereen die wel eens iets op een podium moet doen. De auteurs geven cursussen en trainingen voor mensen met podiumangst (2002).
Literatuur
Abel, J.L. & K.T. Larkin. (1990). Anticipation of Performance among Musicians: Physiological, Arousal, Confidence and State Anxiety. Psychology of Music, 18, 171-182. Bruser, M. (1997). The art of practising. New York, Bell Tower. Fishbein, M. & E. Middlestadt. (1988). Medical Problems among ICSOM Musicians: Overview of a National Survey. Medical problems of Performing Artists, 3, 1-8. Liebowitz, M.R., Gorman, J.M., Fryer, A.J. (1988). Pharmacotherapy of social phobia: An interim rapport of a placebo-controlled comparison of phenelzine and atenolol. Journal of Clinical Psychiatry, 49, 252-257. Wippoo, Pim & Liesbeth Citroen-Warners. (1998). Podiumangst. Amsterdam, Boom.
Auteurs: Pim Wippoo en Liesbeth Citroen-Warners
Bron: Silhouet, focus op angst en depressie.
Voor meer interessante artikelen kunt u een abonnement afsluiten bij Silhouet voor slechts 25 euro per jaar.
| < Vorige | Volgende > |
|---|

