Interpersoonlijke Psychotherapie (IPT)
Karel Mulder (bijna 50 jaar) is een doorgaans gedreven leraar wiskunde op de Middelbare school. Sinds enkele maanden voelt hij zich echter somber, moe en heeft hij suïcidale gedachten. De huisarts verwijst hem door voor behandeling. Karel is depressief. Behandeling met antidepressiva heeft geen resultaat gegeven. Karel heeft sociaal altijd goed gefunctioneerd en gaat nogal verstandelijk om met problemen. Omdat IPT in het algemeen geschikt is voor depressieve problematiek bij mensen die over een goede sociale competentie beschikken, wordt er gekozen voor IPT. Karel geeft aan dat hij eigenlijk niet zoveel te klagen zou moeten hebben; hij heeft een lieve vrouw, drie gezonde en ook lieve kinderen en ook de ouders van Karel zijn prettige mensen, die alleen wel wat ouderdomsklachten beginnen te ontwikkelen. Er zijn geen belangrijke anderen overleden. In tegenstelling tot eerder in zijn leven, leidt hij nu wel een erg geregeld leven. Dit geeft hem enerzijds rust, maar echte uitdagingen zijn er niet. Vriendschappen zijn er wel, maar de laatst tijd komt het er niet van om hier van te genieten of om, zoals vroeger, alleen een goede vriend op te zoeken en 'bij te praten'.
Tijdens de interpersoonlijke anamnese ontstaat de indruk dat Karel moeite heeft met het feit dat hij afstand moet nemen van een aantal verwachtingen die hij had ten aanzien van zijn leven. Zo had hij lange tijd gedacht dat hij nog eens een carrièrestap zou kunnen maken naar het bedrijfsleven. Bijvoorbeeld dat hij zijn bijdrage zou kunnen leveren in het technisch lab van een grote multinational, maar een stap in deze richting was vanwege zijn leeftijd op niets uitgelopen. Verder zijn de ouders van Karel al fors op leeftijd en doen zij meer en meer een beroep op hem en zijn vrouw. Karel is enig kind, dus alles komt voor zijn rekening. Door alle veranderingen en teleurstelling lijkt een focus van rolverandering het meest geschikt. Oude verlangens en aspiraties moeten worden opgegeven en hij moet een nieuwe manier vinden om zijn huidige leven bevredigend in te vullen. Karel voelt zich echter niet 'oud' en is gekrenkt dat leeftijd mogelijk een grotere rol speelt dan hij kan en wil toegeven. In de behandelfase wordt uitvoerig stilgestaan bij Karels levensloop en met name bij zijn professionele loopbaan. Maar het ingaan op de beperkingen die samenhangen met zijn leeftijd, is een emotionele confrontatie die Karel liever niet zoekt. Om dit te vergemakkelijken is ook uitvoerig ingegaan op de mogelijkheden die de nieuwe levensfase zou kunnen bieden. Zo blijkt dat Karel al sinds lang niet meer is toegekomen aan zijn grote hobby, namelijk amateurtoneel. Hij besluit om zich hierop te richten en zijn verlies te nemen inzake het beroepsperspectief. Daarnaast is de aandacht gericht op het onderzoeken en erkennen van de gevoelens van verlies die Karel verbindt aan het ouder worden. Hij heeft de neiging om hier gemakkelijk over heen te stappen en een soort illusie van de eeuwige jeugd te willen houden. Ook in zijn relatie met zijn vrouw, kinderen en ouders blijkt dit thema duidelijk naar voren te komen.
In de loop der weken maakt de depressie plaats voor een verbeterd contact met gevoelens als verdriet, machteloosheid en uiteindelijk ook weer plezier. In zekere zin heeft de depressie lange tijd het contact met deze gevoelens in de weg gestaan. Na twaalf zittingen wordt de behandeling beëindigd en zijn de depressieve klachten nagenoeg verdwenen. Karel is niet meer somber, voelt zich alleen nog wat moe. Bij de evaluatie na drie maanden blijkt het nog steeds goed met hem te gaan.
Interpersoonlijke psychotherapie is een relatief nieuwe behandelvorm van psychotherapie, die sinds de jaren zeventig in gebruik is en gericht op het effectief behandelen van depressieve patiënten. In tegenstelling tot andere meer traditionele vormen van psychotherapie ligt de nadruk bij IPT niet zozeer op de ontwikkeling van een theoretisch verankerd model, maar veel meer op het ontwikkelen van een onderzoekbare en goed trainbare vorm van psychotherapie. Onderzoek naar de effectiviteit van deze therapie is zo gunstig dat IPT wordt aanbevolen in tal van professionele richtlijnen. Zo ook in de multidisciplinaire richtlijn voor behandeling van depressieve stoornissen, die op korte termijn zal verschijnen bij het Utrechtse Trimbos-instituut.
{mospagebreak heading=Deel 1&title=Deel 2}
De grondleggers van de IPT, Myrrna Weissman en Gerald Klerman, hebben bij het positioneren van IPT vooral aansluiting gezocht bij het werk van Sullivan, Bowlby en Meyer. In het werk van Sullivan en Bowlby staat centraal dat de mens primair gezien moet worden als een sociaal wezen dat naast de seksuele en agressieve driften ook gekenmerkt wordt door de ingeboren streving naar contact met anderen. Dit betekent dat psychopathologie, waaronder ook depressie, begrepen moet worden vanuit een interpersoonlijke context. Psychische klachten kunnen leiden tot verstoringen in de sociale relaties met de omgeving en omgekeerd kunnen verstoringen in het interpersoonlijke veld aanleiding geven tot psychische klachten. Deze wederkerige relatie is door tal van onderzoek, bijvoorbeeld rondom life events en depressie, aangetoond. Interpersoonlijke psychotherapie richt zich dan ook primair op het verbeteren van het interpersoonlijk functioneren, met de veronderstelling dat dit leidt tot een verbetering in de stemming. Bij interpersoonlijke psychotherapie wordt de depressie beschouwd als een 'psychiatrische ziekte', waardoor de klachten buiten de persoon geplaatst kunnen worden. Zo wordt de 'schuld' voor de depressieve klachten wat weg geleid van vaak weinig productieve zelfbeschuldigingen en ontstaat er ruimte voor psycho-educatie.
Werkwijze
Interpersoonlijke psychotherapie werkt met een gelimiteerd aantal zittingen. Dat betekent dat de behandeldoelstelling beperkt moet zijn. Voorop staat dan ook de vermindering van de depressieve klachten en verbetering van de interpersoonlijke coping. Bewerking van eventuele onderliggende intrapsychische processen is gezien de korte behandelduur niet mogelijk. In de behandeling wordt sterk ingezet op het maximaliseren van de non-specifieke of algemene behandelfactoren; het genereren van hoop, het bieden van een duidelijke behandelrationale, het uitvoeren van een duidelijk behandelritueel en het optimaal gebruik maken van de behandelrelatie.
De behandeling is verdeeld in drie fasen; de beginfase, de behandelfase en de ontslagfase. De beginfase (zitting 1-3) kent een aantal vaste thema's: - het uitvragen van de depressieve klachten en deze benoemen als een depressieve stoornis;
- het geven van psycho-educatie over de psychiatrische ziekte depressie;
- het afnemen van een interpersoonlijke anamnese. Daarbij wordt in kaart gebracht welke belangrijke anderen een rol spelen in iemands leven en hoe de interactie beleefd wordt. Ook wordt gekeken naar ingrijpende veranderingen die van invloed zijn op het interpersoonlijk functioneren;
- het afspreken van een behandelfocus op basis van de interpersoonlijke anamnese; De vier gebieden waar uit gekozen kan worden zijn: rouw, interpersoonlijk conflict, rolverandering en interpersoonlijk tekort.
{mospagebreak title=Deel 3}
Na de beginfase volgt de behandelfase (zitting 4-10) en wordt op basis van het behandelfocus de behandeling specifieker. We spreken van rouw als er een belangrijke ander is overleden. De depressieve reactie is dan een direct gevolg van dit overlijden. Bij de behandeling is een belangrijk punt dat het rouwproces weer op gang komt. Vaak is er sprake van stagnatie in het rouwproces doordat er geen evenwichtige beleving is van de overledene. Soms gaat het om overidealisering, soms om een eenzijdige benadrukking van de negatieve kanten van de overledene. Interpersoonlijk conflict is een focus dat gekozen wordt als er een directe relatie is tussen de depressieve klachten en het bestaan van een (vaak) chronisch conflict. De uitzichtloosheid in het contact kan dan leiden tot een depressieve reactie. Het gaat hierbij vaak om echtelijke problemen. In toenemende mate gaat het ook om depressies die samen lijken te hangen met belastende arbeidsverhoudingen. Bij het focus rolverandering is er vaak sprake van levensfasegerelateerde problematiek. Hierbij kan het gaan om het verlaten van het ouderlijk huis, kinderen krijgen en pensionering. Daarnaast kan het ook gaan om ingrijpende ervaringen zoals scheiding, het krijgen van een chronische ziekte e.d. De inzet bij dit focus is dat er een genuanceerder beeld ontstaat van zowel de fase die afgesloten moet worden, als de nieuwe fase. Dikwijls vindt er, vergelijkbaar met het focus rouw, een vervorming plaats van de werkelijkheid, waardoor de overgang van de ene naar de andere rol bemoeilijkt wordt. Interpersoonlijk tekort is het focus dat vaak wordt gekozen als een keuze voor één van de andere focussen niet mogelijk is. Vaak zijn de tekorten al lang aanwezig en niet zonder meer ontstaan in de huidige depressieve episode. Dit geeft beperkingen aan de behandeldoelstellingen.
Tijdens de ontslagfase wordt bekeken welke resultaten er zijn bereikt en of er noodzaak is tot continuering of verwijzing. Door de intensieve manier van werken is er vaak een hechte samenwerking ontstaan. Het geven van aandacht aan gevoelens van verlies is dan ook belangrijk. Mensen die meerdere malen in het verleden een depressieve episode hebben doorgemaakt, krijgen vaak het advies om laagfrequent in zorg te blijven.
Ten slotte
IPT is een effectieve, goed overdraagbare behandelvorm voor depressies, die ook door patiënten erg wordt gewaardeerd. Het is echter zeker niet zo dat IPT een panacee is bij de behandeling van depressieve mensen. Vooral bij mensen met chronische of recidiverende problematiek zal gezocht moeten worden naar het optimaliseren van het behandeleffect door het combineren van de behandeling met andere (medicamenteuze dan wel psychotherapeutische) behandelvormen.
Literatuur
Blom, M.B.J. & Jonker, K. (2004). Protocollaire behandeling van depressieve patienten: Interpersoonlijke psychotherapie. In: Keijsers, G.P.J. et al. Protocollaire behandelingen in de ambulante geestelijke gezondheidszorg. Bohn, Stafleu en van Loghum Stuart, S. & Robinson, M. (2003) Interpersonal psychotherapy, A clinicians guide. London : Arnold. Weissman, M.M., Markowitz, J.C. & Klerman, G.L. (2000). Comprehensive guide to interpersonal psychotherapy. New York: Basic Books.
Auteur
Kosse Jonker (1958) is als psychotherapeut en afdelingsmanager werkzaam bij GGZ Parnassia en heeft diverse publicaties over IPT op zijn naam staan (deels samen met Marc Blom). Onderzoek naar de effectiviteit van IPT wordt binnenkort gepubliceerd.
Bron: Silhouet, focus op angst en depressie
Voor meer interessante artikelen kunt u een abonnement afsluiten bij Silhouet voor slechts 25 euro per jaar.
{mos_fb_discuss:2}
| < Vorige | Volgende > |
|---|

