Serge Feldmann werkt als senior consultant voor reïntegratiebureau Sagenn. In deze hoedanigheid is hij verantwoordelijk voor de begeleiding van mensen met een uitkering die gereïntegreerd worden naar reguliere arbeid. Mensen met een bijstandsuitkering, mensen met een arbeidshandicap, mensen die wegbezuinigd zijn, mensen met een of meerdere ‘vlekjes’. In zijn Sofa-bijdragen geeft hij een beeld van de praktijk en koppelt deze aan veronderstelde theorieën en methoden over de menselijke psyche en diens flexibiliteit. Niet als psycholoog, niet als zedenprediker maar als iemand die op een pragmatische manier met mensen werkt.Een verfrissende, soms teleurstellende en dan weer hoopgevende blik vanuit de ‘echte wereld’.
In het dagelijks leven kunnen we maar moeilijk omgaan met de eindigheid der dingen. Wanhopig klampen we ons vast aan hetgeen we willen zien als voor eeuwig en altijd. Een geliefde, een vriend, een relatie, een baan. Alles is eindig. Eindigheid is een voorwaarde voor groei. Het is wat de mate van gehardheid vormt volgens de existentiële persoonlijkheidstheorie van Kobassa. De mate van gehardheid bepaalt in hoeverre een persoon veranderingen ziet als uitdagingen en door het proces van verandering persoonlijke groei realiseert. Dagelijks ben ik de brenger van het nieuws dat zich het einde van een bepaalde periode aankondigt. Het einde van verveling, wanhoop, feest vieren, hulpeloosheid, zwart werken, rondhangen, schulden maken en soms ook de uitkering. Ik ben zodoende voor sommigen de brenger van goed nieuws om bij anderen alle theorieën over het slechtnieuwsgesprek te omarmen. Ik ben die nare man die zo velen uit de droom van de oneindigheid doet ontwaken.
Mijn vader is de laatste in zijn soort. Recent ging hij met pensioen na 49 jaar trouwe dienst bij hetzelfde bedrijf. Een wassen beeld in Madame Tussaud is reeds voor hem bedongen. Iedere A&O’er zal met mij eens zijn: de vaste baan bestaat niet meer. De moderne maatschappij en vooral die van de toekomst, vraagt om een verregaande flexibiliteit om de concurrentie en andere economische ontwikkelingen de baas te kunnen blijven. De flexmaatschappij is een feit.Dat is even schrikken voor lezers die menen na een studie psychologie geramd te zitten voor het leven. Een leven lang leren is tegenwoordig het motto. Een leven lang veranderen dus. Troost u. U kunt tenminste leren, althans: dat neem ik voor het gemak even aan. De mensen die ik begeleid blinken veelal niet uit in het volgen laat staan afmaken van opleidingen of het zich succesvol eigen maken van theorieën. In de praktijk een vak leren is dan altijd nog een optie. Maar het is de vraag in hoeverre hiervoor, ook in de toekomst, tijd, ruimte en geld bestaat.
Mevrouw S. is een negenentwintig jarige alleenstaande moeder van twee kinderen. Door de strengere wetgeving wordt ook van háár verwacht dat zij spoedig een reguliere baan vindt en accepteert. Wanneer ik haar op de intake ontvang en haar de wet en regelgeving rustig uit de doeken doe, zie ik de weerstand groeien. En daar is het: ‘en hoe moet dat dan met mijn kinderen, heeft de gemeente dáár al eens over nagedacht?’ Dat hebben ze. De gemeente regelt dat de kinderopvang betaald wordt. ‘En wie zegt dat ik mijn kinderen bij een kinderdagverblijf wil onderbrengen?’ Dat hoeft ook niet wanneer u zelf iets kunt regelen, mevrouw S. Sterker nog, het is wellicht voor iedereen prettiger als u zelf iets kunt regelen. ‘Dus ik moet anderen gaan lastig vallen met mijn probleem? Ik heb trouwens ruzie met mijn familie, dus die doen het toch niet.’ Misschien kan er een oplossing buiten uw familie gevonden worden. ‘Je denkt toch zeker niet dat ik een vreemde bij mijn kinderen laat zeker? Het is allemaal mooi hoor maar ik doe dat niet. Mijn kinderen hebben mij nodig.’
Dergelijke reacties zijn typerend voor een weinig geharde persoon. Iedere nieuwe informatie of mogelijkheid is bedreigend, zelfs wanneer het zaken betreft die haar levenskwaliteit zullen verbeteren. Misschien meent u als lezer dat een alleenstaande moeder meer mededogen mag ontmoeten. Deze vrouwen staan er tenslotte helemaal alleen voor. Meestal verlaten door een man die fluitend en voorgoed verdwijnt, al zijn zorgen achterlatend. In mijn werk heb ik inderdaad het meeste compassie met deze groep. Ga er maar aan staan. Met een minimuminkomen je kinderen, een huishouden en jezelf onderhouden. Geen extraatjes voor je kinderen kunnen kopen, het koude zweet als zich een schoolreisje aandient waarvan de bijdrage ‘slechts’ vijftig euro bedraagt. Het gejengel van je kinderen temmen wanneer ze in de winkel vragen om die andere, veel coolere merkschoenen. En dan gaat de wasmachine kapot. Dat valt niet mee. En juist daarom pas ik in zulke gevallen de methode confronterend coachen toe. Juist bij alleenstaande moeders met een geringe gehardheid. Daar moet ik wel een knopje voor omzetten. Dat zij me raakt en medelijden bij me oproept moet ik uitschakelen om haar werkelijk te kunnen helpen. Ik moet haar over die drempel duwen, rammen desnoods. Ik dwing haar tot gehardheid. Wie kan aantonen dat de methode pamperen uit vroeger tijden meer effect heeft gehad kan mijn telefoonnummer bij de redactie opvragen.
Openstaan! En wel nu! Mevrouw S., ik weet dat u 29 bent maar tot op heden geeft u mij de indruk eerder 60 te zijn. Wat heeft u het vre-se-lijk zwaar zeg. Wat een ellendig leven heeft u. Het is een wonder dat u hier nog zit! ‘Nee, zo bedoel ik het niet maar u denkt dat ik maar even opvang kan regelen.’ Dat denk ik niet. Dat heeft u mij ook niet horen zeggen. Ik wil met u gaan kijken naar mogelijkheden, mevrouw S. Mogelijkheden en niet de beperkingen. Ik merk dat u enkel de beperkingen ziet en benoemt. Maakt u dat een gelukkiger mens tot op heden? ‘Nee.’ Dat dacht ik al. Zou u willen dat u hier anders mee om kon gaan. ‘Ja natuurlijk wel maar-‘ Goed. Dat is waar het nu om gaat. U wilt dat u hier anders mee om kunt gaan. Dat we naar mogelijkheden kijken i.p.v. beperkingen. Klopt dat? ‘Ja, dat wil ik ook wel maar ik weet ook niet hoe ik dat moet regelen. En mijn kinderen moeten..’’ Duidelijk. Mevrouw S., iedereen wil dat uw kinderen goed opgevangen worden en dat u zonder zorgen kunt gaan werken. Dat wilt u, dat wil de gemeente en dat wil ik. Mevrouw S. huilt. Ze is niet verdrietig maar er lijkt een spanning van haar af te vallen, haar uitdrukking is plotseling zachter. Ik wil u iets vragen. Stel dat u niet verplicht werd aan dit traject deel te nemen, hoe zou u dan zijn verder gegaan? ‘Gewoon. Thuis, het huishouden, voor de kinderen zorgen’. Dat is het? ‘Ja, die kinderen hebben genoeg meegemaakt. Ik moet er voor ze zijn.’ Hoe maken ze dat duidelijk aan u? ‘Weet ik niet. Dat is toch gewoon zo.’ Uw kinderen zitten op school toch? ‘Ja.’ Dus een belangrijk deel van de dag bent u niet bij ze. Hebben ze het naar hun zin op school? ‘Ja, het gaat heel goed op school.’ Dat is mooi. Wat doen ze in hun tijd na school? ‘Ja, wat elk kind doet. Spelen, huiswerk, televisie kijken, met vriendjes spelen’. Ik wil u nog iets vragen. Wat heeft u bereikt als uw kinderen de puberleeftijd bereiken en vooral geen bemoeienis van u willen. Als ze zelfstandig worden en dat o.a. uiten in meer afstand van uw zorgzaamheid? ‘Dat weet ik niet.’ Precies mevrouw S. Daar gaat het mij om. Wat heeft u straks voor u zelf opgebouwd en wat heeft u straks aan uw kinderen laten zien? U leert uw kinderen wat het is om te werken door zelf weer aan het werk te gaan. U laat uw kinderen zien dat het inspanning kost om vooruit te komen, om iets te bereiken. Wat denkt u dat uw kinderen zullen zeggen als u ze straks wel een keer die merkschoenen kunt geven of mee kan nemen naar de McDonalds? Mevrouw S. begint weer te huilen. ‘Dat zouden ze geweldig vinden’. Wilt u met mij een begin maken om dat te gaan bereiken, mevrouw S.? Wilt u met mij samen naar de mogelijkheden gaan kijken en de beperkingen uitdagen en te lijf gaan? ‘Ja, dat wil ik wel. Als mijn kinderen maar-‘. Met uw kinderen gebeurt helemaal niets. Uw kinderen zullen niet het slachtoffer worden van uw ontwikkeling, mevrouw S.
Deze dialoog heeft zich haast letterlijk afgespeeld. Inmiddels heeft mevrouw S. kinderopvang geregeld in eigen kring en heeft zij een parttime functie van 24 uur aanvaard als medewerker thuiszorg. Voor het belangrijkste deel heeft ze dit zelf gedaan. Ze is zichtbaar opgebloeid en eindelijk echt 29 geworden. Haar kinderen zijn trots op haar, zegt ze. Een van haar kinderen vertelde op school trots in het kringgesprek: ‘Mijn moeder werkt!’
Mevrouw S. moest eerst in staat worden gesteld om te leren inzien dat eindigheid een gegeven is en dat dit juist uitdagingen, kansen en mogelijkheden met zich meebrengt. In een retrospectief wist zij in de gesprekken met mij ook te vertellen dat het vertrek van haar man achteraf een positieve ontwikkeling was; dat haar herintrede op de arbeidsmarkt haar kinderen positief beïnvloedde en dat hun tijd samen kwalitatief beter is geworden. Mevrouw S. is meer gehard geraakt en weet nu effectiefver om te gaan met veranderingen. Zeker, ze zal soms best terugvallen en in eerste instantie oud gedrag vertonen. Maar haar opgedane ervaring en kennis roepen haar terug. En u? Wie roept u terug? Hoe gehard bent u eigenlijk?