Eens extern, altijd extern
Serge Feldmann werkt als senior consultant voor reïntegratie-bureau Sagenn. In deze hoedanigheid is hij verantwoordelijk voor de begeleiding van mensen met een uitkering die gereïntegreerd worden naar reguliere arbeid. Mensen met een bijstandsuitkering, mensen met een arbeidshandicap, mensen die wegbezuinigd zijn, mensen met een of meerdere ‘vlekjes’.
In zijn Sofa-bijdragen geeft hij een beeld van de praktijk en koppelt deze aan veronderstelde theorieën en methoden over de menselijke psyche en diens flexibiliteit. Niet als psycholoog, niet als zedenprediker maar als iemand die op een pragmatische manier met mensen werkt.Een verfrissende, soms teleurstellende en dan weer hoopgevende blik vanuit de ‘echte wereld’.
Eens extern, altijd extern.
Een van de doelen van een reïntegratietraject is om ervoor te zorgen dat de kandidaat in de toekomst meer zelfsturend en zelfredzaam is bij het verkrijgen van een baan. Opdrachtgevers, in mijn geval gemeenten, hebben soms het idee dat wij als reïntegratieconsulenten wonderdokters zijn, chirurgen van de menselijke ziel of genezers die iedere als hopeloos bestempelde cliënt tot een hoogmatig efficiënt en succesvol wezen kunnen ontwikkelen. Kunnen wij dat? Zoals de conclusie in menig psychologisch artikel is het antwoord: ‘soms wel, soms niet, het ligt eraan.’
De mate waarin succesvol aan veranderingen in gedrag gewerkt kan worden, heeft alles te maken met de mate waarin de cliënt een interne dan wel externe locus of control heeft. Om het geheugen even op te frissen: mensen met een interne locus zijn ervan overtuigd dat zij zelf invloed kunnen uitoefenen op hun omgeving. Mensen met een externe locus hebben deze overtuiging niet en denken overgeleverd te zijn aan invloeden uit de omgeving. Anders gezegd meent de interne groep controle over het eigen leven te hebben en de externe groep niet of nauwelijks. De vergelijking optimisten versus pessimisten speelt op, maar pas op: beiden kennen hun extremen. Een persoon met interne locus kan evengoed depressief raken door een hoge mate van verantwoording nemen en zichzelf afrekenen. Hieruit volgt dat internen veelal de verantwoording bij zichzelf zullen leggen waar externen deze buiten zichzelf leggen. Slachtoffers, aangeleerde hulpeloosheid, u roept maar.
Automatisch zal men zich nu de vraag stellen: ‘Is een externe of interne locus te veranderen?’. Ongenuanceerd en niet wetenschappelijk onderbouwd zeg ik: dat ligt aan de mate van intelligentie. Een persoon met een geringe intelligentie is in feite hopeloos verloren wanneer het gaat om zijn vermogen tot verandering. Sommige lezers krijgen nu last van rode vlekken en neurotische trekken. Anderen slaken een zucht van verlichting. Iedere psycholoog in wording leert tenslotte dat hij uitermate omzichtig moet omspringen met het oordelen over en omschrijven van intelligentie. De tot in den treuren gevoerde discussies over nature of nurture en over de juiste omschrijving van het begrip intelligentie, heeft tot op heden de volgende consensus opgeleverd: Intelligentie is het vermogen zich aan te passen aan de omgeving. Ik zal deze definitie in dit artikel trouw zijn. Laat ik dan nu onderbouwen wat ik zo vrij van verwijzing naar onderzoeken et al. beweer.
Subject: Meneer O.
Dhr. O meldt zich bij mij voor een intakegesprek. Hij heeft een uitkering aangevraagd bij de Gemeente en is direct doorverwezen naar ons. Sinds twee jaar is de overheid strenger geworden waar het gaat om het toekennen van uitkeringen. Iedereen heeft het recht op een uitkering maar enkel als men daarbij de plicht accepteert hier weer zo snel mogelijk vanaf te komen. Meneer O. praat honderduit over het onrecht dat hem in zijn leven tot op heden al is aangedaan. De uitkeringsinstantie spant wat hem betreft de kroon. Al vier maanden wacht hij nu op een uitkering waarmee hij een vrouw, kind zichzelf en, naar later blijkt, een dure auto moet onderhouden. Werk zoeken heeft hij ondertussen nog niet gedaan. Het C.V. van meneer O. toont, behalve grote gaten, onafgemaakte opleidingen en diverse kortere dienstverbanden. Vragend naar de oorzaken krijg ik meer ellende te horen dan ik in mijn resterende leven nog kan of zal meemaken. Opvallend genoeg is alles hem overkomen. Vervelende collega’s, slechte werkomstandigheden, schulden, ruzies, ziekte en familiaire problemen. Stuk voor stuk externe factoren. Hij begrijpt niet hoe het kan. Voor de problemen met de uitkeringsinstantie heeft hij een advocaat in de arm genomen. ‘Ik graag werken meneer, ik word gek van die thuiszitten. Ik steeds ruzie met vrouw. Is helemaal niets hoor, als je geen werk hebt. Helemaal niets is het. O nee meneer, ik wil echt graag een nieuwe werk.’
Variabele: Mercedes van 37.000 euro
Wanneer ik tijdens het gesprek de uitkeringsinstantie bel om na te gaan waarom meneer O. nog geen uitkering heeft ontvangen, kom ik te weten dat er een onderzoek naar hem loopt omdat er een Mercedes van 37.000 euro op zijn naam staat. Dat kan nu eenmaal niet als men een uitkering aanvraagt. Ik confronteer meneer O. met dit gegeven. Hij kijkt mij niet begrijpend aan en snapt niet hoe dit gegeven moet verklaren waarom zijn uitkering niet uitbetaald wordt. ‘Ik moet toch auto hebben?’ Ik kan nu twee dingen doen. Ik kan hier diep op ingaan en een discussie voeren of ik kan hem laten inzien hoe we de problemen kunnen oplossen. Ik kies het tweede. ‘Meneer O. toevallig heb ik een vacature gevonden die perfect bij u past. Een vacature als metaalbewerker, precies wat u veel gedaan hebt en ook graag weer wilt doen. Wat zou u ervan zeggen als ik u voorstel aan het bedrijf?’ Hij is verrast door het aanbod. Voor het eerst is hij langer dan tien seconden stil. ‘Ja, dat wil ik wel. Is die bedrijf hier in de buurt?’ ‘Ja, en anders zou u er ook gemakkelijk met die auto kunnen komen. Waar het om gaat is dat u zo snel mogelijk van al die ellende af bent. U verdient weer een salaris, kunt uw rekeningen weer betalen en u bent af van die vervelende uitkeringsinstantie’.
Variabele: Afzuiginstallatie
De volgende dag krijgen we een rondleiding door het bedrijf onder leiding de eigenaar die graag iets wil doen voor mensen die een maatschappelijke achterstand hebben. Dit soort werkgevers kom ik maar weinig tegen. Nadat de werkgever heeft aangegeven dat meneer O. komende maandag mag gaan starten in een fulltime functie, verlaat ik blij het pand. Ik vraag meneer O. wat hij ervan vindt. ‘Die rook, er is daar veel rook’. Ik heb zojuist een David Bowie kapsel overgehouden aan de enorme kracht van de afzuiginstallaties in het pand en meneer O. begint over de rook. Uit zijn opmerking weet ik dat ik nog eens even goed de tijd moet nemen om hem voor te bereiden op zijn eerste werkdag. Aldus geschiedt. Ik laat meneer O. benoemen wat hij nu wint aan het feit dat hij een baan heeft. ‘Maar die uitkering meneer, ik moet dinsdag en donderdag met advocaat naar uitkering’. Mijn alarmbellen gaan allemaal tegelijk en oorverdovend af. ‘Je gaat beginnen met een baan en je wilt in de eerste week op dinsdag en donderdagmiddag wegblijven van je werk om mee te gaan met je advocaat? Heb je een idee wat voor gevolgen dat heeft voor je nieuwe baan? Hij kijkt me schuin lachend aan en begint op hoog tempo en vol vuur zijn betoog. Ik laat hem en knik hummend en hammend, wachtend op een milliseconde stilte om te kunnen interveniëren. ‘Het is in jouw belang dat deze baan een succes wordt. Dat lost namelijk al je huidige problemen op. Je vrouw kan mee met de advocaat want zij weet er ook alles van en het zal een goede indruk maken wanneer jij al aan de slag bent bij je nieuwe werkgever. Begrijp je dat? Zal ik de advocaat eens bellen en vragen wat die vindt?’ Ik besluit tot deze vraag omdat in zijn betoog de advocaat is afgeschilderd als de verlossende kracht, de brenger van geluk, de oase in de woestijn. Ik krijg zijn toestemming en bel, waar meneer O. bij is, zijn advocaat. Het antwoord is als verwacht: ‘Laat meneer O. in godsnaam naar zijn werk gaan, ik kom daar wel uit met zijn vrouw.’ Meneer O. accepteert het aanbod, is plotseling stil en geeft aan dat hij nu moet gaan. We spreken af dat ik hem na zijn eerste werkdag zal bellen en met een opgewekte groet verlaat hij het pand.
Variabele: Rook
Na werktijd bel ik meneer O. om te vragen naar de eerste werkdag. Voicemail. Ik spreek in. Bemoedigend, prijzend en enthousiast spreek ik hem toe. De volgende dag, terwijl ik ingespannen achter mijn computer bezig ben, zie ik vanuit mijn ooghoeken meneer O. langs mijn raam lopen. Even later staat hij in mijn kantoor. ‘Dat doe ik dus niet meer hè, o nee meneer. Al die rook. kan niet. Ik niet werken met die rook. Ik heb last van ogen. Dan kan niet meneer. O nee, ik ga daar niet meer heen.’ Om mijzelf ervoor te behoeden niet direct in een gepassioneerde en vurige donderpreek los te barsten, breng ik meneer O. eerst naar de wachtruimte en bied hem een kopje koffie aan. Vervolgens bel ik de werkgever. ‘Is hij bij ú? Ik snap er niets van. Het ging prima gisteren. Hij zei nog vrolijk ‘tot morgen’ toen hij gisteren wegging. Rook? Dat heeft u zelf gezien toen u hier was. Hij heeft een bril en er wordt constant afgezogen en geventileerd. Dan zouden de andere werknemers er ook last van moeten hebben’. Nadat ik de relatie met de werkgever zo goed mogelijk heb hersteld (damagecontrol is een belangrijk onderdeel van mijn werk) hang ik met een zucht op en zoek ik meneer O. op. Zodra hij mij ziet, begint hij mij er opnieuw van te overtuigen dat hij daar onmogelijk kan werken met al die rook. Ik onderbreek hem en zeg: ‘Meneer O., u hebt nu echt een probleem. U hebt gisteren niets laten weten over de rook aan de werkgever, u hebt geen overleg gepleegd en u hebt vanmorgen niet laten weten dat u niet zou komen. U bent gewoon gestopt. Dat noemt de gemeente ‘werkweigering’ en dat brengt u nog verder in de problemen met uw uitkering dan nu al het geval is. Het navolgende kwartier krijg ik er geen speld meer tussen. Met de strekking: ‘we zullen nog wel eens even zien wat mijn advocaat voor elkaar krijgt’, verlaat meneer O. boos het pand.
Variabele: Sanctie
Die middag hoor ik van de gemeente dat meneer O., mits de uitkering wordt toegekend, de eerste maand geen uitkering zal krijgen als gevolg van zijn werkweigering. De advocaat kan ik bijna hóren zweten aan de andere kant van de lijn. Dat van die Mercedes wist ze niet en dat hij het werk spontaan had opgezegd was ook nieuw voor haar. Maar gelukkig is zij de verlossende kracht, de brenger van geluk, de oase in de woestijn. Niets is verloren. Alle hoop ligt buiten meneer O. zelf, evenals de oorzaken van zijn ongeluk.
Discussie
Dat meneer O. een externe locus heeft, hoef ik niet verder toe te lichten. Dat zijn vermogen om zich aan te passen aan de omgeving en de situatie gering is evenmin. Ik hoef ook geen WAIS of GIT af te nemen om te weten dat zijn intelligentie benedengemiddeld is. Daarmee is meneer O. reddeloos verloren. En voor de lezers die al popelen om mij aan te vallen met het argument dat dit ene voorbeeld mijn stelling niet bewijst: dit voorbeeld is exemplarisch voor de vele gevallen die ik jaar in jaar uit ontmoet. Maar soms, soms gaat het ook goed. Dat maakt mijn werk zo geweldig. Soms blijkt iemand in staat kleine gedragsveranderingen te realiseren die hem of haar effectief maken in nieuwe en bestaande situaties. Soms lukt het. Het ligt eraan.
| < Vorige | Volgende > |
|---|

