Claustrofobie
Claustrofobie
`Ik wil eruit!’
Het woord claustrofobie is afkomstig van het Latijnse woord “claustrum” (gesloten ruimte) en het Griekse woord “phobia” (angst). Claustrofobie betreft de specifieke angst om vast te zitten of opgesloten te raken en komt in veel gradaties en omstandigheden voor.
Ongeveer 10% van de bevolking heeft een milde tot matige vorm van claustrofobie en ongeveer 2% tot 4% heeft ernstige claustrofobie. Bij circa 33% van de mensen met claustrofobie begint de angst in de kinderjaren. De gemiddelde ontstaansleeftijd van claustrofobie ligt rond het twintigste jaar (Öst, 1987). Meer vrouwen dan mannen ervaren deze stoornis (Rachman, 1993).
Claustrofobie behoort volgens DSM-IV-TR (APA, 2004) tot de specifieke fobieën. Een specifieke fobie is een hardnekkige en intense angst voor een bepaald dier, object of situatie. Confrontatie met dit dier, dit object of deze situatie wordt vermeden of leidt, wanneer dat niet kan, tot intense angst. De vermijding of angst is dermate buiten proportie dat ze interfereert met het dagelijks leven. De persoon is echter wel in staat te erkennen dat de angst niet in verhouding staat tot de reële dreiging. Hoewel vrij veel mensen een specifieke fobie hebben, zoeken slechts weinig mensen hiervoor behandeling bij een therapeut. Het percentage
spontane vermindering van de klachten wordt geschat op slechts 16%. De belangrijkste verklaring voor de geringe hulpvraag is waarschijnlijk dat de gevreesde stimuli bij de specifieke fobie, juist door hun monosymptomatische, afgegrensde karakter, relatief gemakkelijk te vermijden zijn (De Jong & Keijsers, 2004). Zo kan iemand die last heeft van claustrofobie en op de derde verdieping van een flat woont, eenvoudig de lift vermijden door de trap te nemen. Wanneer het echter niet (langer) mogelijk is de stimuli te vermijden, kan de lijdensdruk zo groot worden dat alsnog hulp gezocht wordt. Een voorbeeld hiervan is iemand die claustrofobisch is en in een kantoorgebouw werkt op de twaalfde verdieping. Dan is trappen lopen wel erg vermoeiend en is het nemen van de lift bijna onvermijdelijk. Kortom, met een specifieke fobie valt doorgaans tot op zekere hoogte (sic!) wel te leven. Claustrofobie
kan ook een begeleidend verschijnsel zijn van agorafobie, vliegfobie of posttraumatische stressstoornis (PTSS), en wordt dan vervolgens niet als claustrofobie geclassificeerd.
{mospagebreak heading=Claustrofobie&title=Verstikking en angst voor beperking}
Verstikking en angst voor beperking
Iemand die claustrofobisch is, is niet bang voor gesloten ruimten op zich, maar voor wat er zou kunnen gebeuren in zo’n gesloten ruimte (Rachman & Taylor, 1993). Een subjectief gevoel van gevangen zitten of verstrikt zijn, is kenmerkend voor een groot aantal claustrofobici. Het idee niet weg te kunnen of het beperkt zijn in je beweging kan leiden tot angst of paniek. Dit kan versterkt worden door of leiden tot lichamelijke reacties, zoals
zweten, trillen, hartkloppingen, duizeligheid, ademnood en hyperventilatie. Dit kan weer de angst voor verstikking oproepen. Eén van de meest voorkomende manifestaties van claustrofobie is een weigering om in een gesloten lift te stappen. Andere algemene objecten van claustrofobie zijn toiletten, tunnels, vliegtuigen, pashokjes, kelders en bepaalde medische
testapparaten en –procedures, zoals magnetic resonance imaging (MRI) en computed tomography (CT) scan (Wiederhold & Wiederhold, 2005). In deze omstandigheden kan claustrofobie verstorend zijn en iemand ongeschikt maken voor bepaalde beroepen.
{mospagebreak title=Claustrofobie: een bi-dimensioneel concept}
Claustrofobie: een bi-dimensioneel concept
Claustrofobie bestaat uit twee dimensies, namelijk angst voor verstikking en angst voor beperking (Rachman & Taylor, 1993). Angst voor verstikking heeft te maken met de angst om in een afgesloten ruimte geen lucht meer te kunnen krijgen. De andere component, angst voor beperking, houdt in dat men zich lichamelijk beperkt voelt en zich niet meer vrij kan bewegen. Eén van deze angsten kan al voldoende zijn voor het ontwikkelen van claustrofobie en het hebben van beide angsten leidt tot een ernstige claustrofobie. Als één van deze angstcognities wordt aangepakt neemt de claustrofobie aanzienlijk af. Bij exposure aan een MRI scan (beperking) neemt de beperkingsangst af, terwijl de angst voor verstikking niet beïnvloed wordt (Harris, et al.,1999). Angst voor verstikking en angst voor beperking alleen hoeven niet genoeg te zijn voor het krijgen van claustrofobie. Een derde factor die meespeelt bij het ontwikkelen van claustrofobie is gevoeligheid voor angst (Reiss, 1991). Dit wil zeggen dat mensen in verschillende mate gevoelig zijn voor het krijgen en hebben van angst. Sommige mensen zijn voor het minste of geringste bang en bij andere mensen lijkt het wel alsof ze nergens voor terugschrikken. Toch kunnen veel claustrofoben niet uitleggen waarom ze zich zo onprettig voelen wanneer ze beperkt worden. De ernst van claustrofobie kan gemeten worden aan de hand van de Claustrophobia Questionnaire (CLQ) (Radomsky, Rachman, Thordarson, McIsaac & Teachman, 2001). Deze vragenlijst bestaat uit twee subschalen: verstikking en beperking.
{mospagebreak title=Associatie tussen agorafobie en claustrofobie}
Associatie tussen agorafobie en claustrofobie
Waar agorafobie wordt geassocieerd met de angst van het gevangen zitten in een open ruimte, betreft claustrofobie de angst van het gevangen zitten in een gesloten ruimte. Er is vaak een sterke associatie tussen deze twee fobieën: veel van de mensen die bang zijn voor grote, open ruimtes zijn ook bang voor kleine, gesloten ruimtes. Er wordt wel verondersteld dat beide fobieën bewijzen zijn van primitieve angsten: het gevaar om te worden aangevallen was groot in zowel een grote, onbeschutte plaats als in een kleine, dichte ruimte (Wiederhold & Wiederhold, 2005).
{mospagebreak title=Therapieen}
Therapieën
Exposure
Exposure bestaat uit een aantal technieken dat ontworpen is om cliënten te helpen situaties waar ze bang voor zijn onder ogen te zien en zo lang in die situatie te blijven, dat de processen van habituatie (gewenning) en extinctie (uitdoving) hun effect kunnen uitoefenen. Graduele exposure houdt in dat cliënten gradueel blootgesteld worden aan voor hen beangstigende situaties. Samen met de therapeut wordt een bepaalde hiërarchie opgesteld van bijvoorbeeld vijf situaties waar de cliënt angstig van wordt. Op nummer één staat dan de gebeurtenis die diegene het meest eng vindt om op te zoeken en op plaats vijf staat de situatie die relatief weinig angst oproept (Emmelkamp & Van Balkom, 2001). Er wordt van de cliënt gevraagd om zich continu bloot te stellen aan de beangstigende situatie totdat de angst op een natuurlijke wijze begint weg te ebben. Het is van belang om deze graduele exposure in vivo echt stap voor stap te doen en alleen een situatie op te zoeken als de cliënt er zowel geestelijk als lichamelijk klaar voor is. Mocht dit niet het geval zijn, dan bestaat er de kans op een snelle terugval. In de exposure-situatie stijgt de angst in eerste instantie flink en bereikt een plateau, om vervolgens langzaam weer terug te keren tot het niveau van de basislijn. Een dergelijke procedure leidt zowel tot een bijstelling van de angstverwachtingen van de cliënten als tot een afname van de fysiologische angstresponsen ten gevolge van de herhaalde blootstelling. Nu kenmerken claustrofobici zich door irrationele cognities over zowel de vreeswekkende stimuli (`de lift zal blijven hangen’) als over hun emotionele reacties op de confrontatie met vreeswekkende stimuli (`ik zal geen lucht meer kunnen krijgen’, `ik kom hier nooit meer levend uit’). Tijdens het diagnostisch interview worden beide typen catastrofale opvattingen geïnventariseerd. De exposure-situatie wordt zodanig vormgegeven dat beide typen disfunctionele opvattingen kunnen worden getest en weerlegd (Van den Hout, 1996).
Exposure aangevuld met cognitieve technieken
Het vermeende non-cognitieve karakter van specifieke fobieën en het succes van exposure in vivo hebben er echter wel toe geleid dat er hoegenaamd geen specifiek op de fobie toegesneden cognitieve therapieën zijn ontwikkeld. Tegelijkertijd moet worden benadrukt dat het goed mogelijk is exposure in vivo te zien als een reeks gedragsexperimenten die erop gericht zijn irrationele overtuigingen bij te stellen. Sterker nog, de visie dat exposure juist werkt vanwege het vermogen om disfunctionele cognities te leren corrigeren, wint steeds meer veld ten gunste van de traditionele visie dat exposure werkt vanwege het uitdoven van geconditioneerde angstresponsen (De Jong & Keijsers, 2004).
Vermindering van veiligheidsgedrag
Een slecht copingmechanisme dat de effectiviteit van exposurebehandelingen kan ondermijnen, is de neiging van cliënten om zich te begeven in `veiligheidsgedrag’. Veiligheidsgedrag zijn acties waarvan cliënten ten onrechte geloven dat het hen zal helpen de
beangstigende situatie te doorstaan. Deze acties zijn echter contraproductief, omdat zij de preoccupatie met bedreiging behouden en zij duidelijk de ontkrachtiging van disfunctionele gedachten en aannames voorkómen. Dit gedrag speelt een significante rol bij de instandhouding van angst. Het aanleren van andere strategieën geeft cliënten de mogelijkheid het veiligheidsgedrag los te laten.
Wijzigen van de aandachtgerichtheid
Bij angststoornissen is er een algemene vertekening wat betreft aandacht voor angstopwekkende stimuli ten opzichte van aandacht voor neutrale stimuli (aandachtsbias). Bijvoorbeeld een cliënt met claustrofobie die zijn aandacht richt op zijn lichaam en merkt dat zijn hart steeds sneller gaat kloppen. Hij is dan bang dat die hartkloppingen erop wijzen dat hij zich in een beangstigende situatie bevindt. Cliënten kunnen proberen zichzelf af te leiden om zo te voorkomen dat ze teveel aandacht schenken aan hun fysieke symptomen of `gevaarlijke’ signalen in de beangstigende situatie. Aandachtstraining is ontworpen om verschillende dimensies van aandacht te wijzigen, zoals bijvoorbeeld de intensiteit van aandacht op de eigen persoon.
Cognitieve herstructurering
Modellen van de cognitieve gedragstherapie suggereren dat angststoornissen in stand worden gehouden door het onjuiste geloof in de potentiële gevaren die door sommige situaties worden voorgesteld, negatieve voorspellingen over de uitkomst van deze situaties en een vertekende verwerking van gebeurtenissen die zich voordoen tijdens deze situaties. De gebruikelijke gang van zaken van cognitieve herstructurering betreft eerst een onderzoek naar automatische gedachten en dan naar het geloof dat ten grondslag ligt aan de disfunctionele gedachten. Dit wordt de focus van behandeling. Deze wijziging van meer fundamentele overtuigingen zorgt ervoor dat cliënten minder snel terugvallen in de toekomst (Marom & Hermesh, 2003).
Nieuwe ontwikkelingen
Nieuwe ontwikkelingen hebben vooral betrekking op de wijze van aanbieding van de hierboven genoemde interventies. Zelfhulpmethoden via de computer, internet, en virtual reality zijn hiervan de meest bekende.
{mospagebreak title=Behandeling is effectief}
Behandeling is effectief
Hoewel de angst voor kleine ruimten met het bijbehorende vermijdingsgedrag vaak voorkomt, is er in de meeste gevallen geen sprake van claustrofobie. Het onderzoek naar claustrofobie is ondanks het uitgebreid voorkomen van deze angst nogal beperkt. Behandeling wordt op dezelfde wijze als bij andere angststoornissen uitgevoerd, en is in vergelijkbare wijze effectief. Nieuwe ontwikkelingen kunnen de behandeling voor zowel therapeut als cliënt gemakkelijker maken.
Door: Rien Breteler, Sander Hilberink, Claudia Timmermans en Kim van Bastelaar
Bron: Silhouet, focus op angst en depressie.
Voor meer interessante artikelen kunt u een abonnement afsluiten bij Silhouet voor slechts 25 euro per jaar.
| < Vorige | Volgende > |
|---|

