9/11 en de flitslichthypothese- feit of fictie?
Het is 11 september precies tien jaar geleden dat twee vliegtuigen de torens van het World Trade Centre in New York binnenvlogen. Dat vormde het begin van een bewogen decennium. De gebeurtenissen van die dag hadden verstrekkende geopolitieke gevolgen. Maar ook op individueel niveau was er sprake van een diepgaande psychologische impact.
Weet u nog wat u deed op dat moment?
Ik haalde mijn dochter die dinsdagmiddag van de basisschool, het was een mooie septemberdag. Toen ik thuis kwam zat mijn vrouw met grote ogen naar CNN te kijken. Ze vertelde dat er een vliegtuig in New York een wolkenkrabber was binnengevlogen.
Vervolgens zagen we een tweede vliegtuig de andere toren binnenvliegen.
Ho, wacht even! Dat schrijf ik nu, maar zag ik dat inderdaad – live – gebeuren? Of is dit een reconstructie achteraf? Wat ik wel zeker weet: die middag moest ik naar de huisarts omdat ik iets mankeerde aan mijn rechter polsgewricht. Op de fiets verbaasde ik mij erover dat het leven op straat zo gewoon doorging. Geen verhitte discussies, geen samenscholingen…business as usual. De dokter schreef me, geloof ik, iets voor en dat was dat. Ben ik daarna nog langs de apotheek gegaan? Ik weet het niet meer…
Ik voldoe dus niet aan de criteria die gelden voor de flitslichtherinnering, voor het eerst beschreven door Brown en Kulik in 1977. Kenmerkend achten zij de levendige herinnering aan de omstandigheden waaronder men hoort over een ingrijpende, schokkende, emotionele en onverwachte gebeurtenis. Zij noemden deze herinneringen zo, omdat het lijkt alsof er een foto wordt gemaakt met ieder detail dat samengaat met het vernemen van het nieuws. Het oproepen van de herinnering brengt daarmee ook alle details weer tot leven.
De gebeurtenis is niet alleen onverwacht, nieuw en schokkend, maar ook zeer bedreigend, emotioneel beladen en verwarrend. Dit leidt ertoe dat permanente registratie plaatsvindt van de gebeurtenis zelf én de (hersen)activiteit die daaraan voorafging. Met name deze laatste stelling ging critici als de psycholoog Ulrich Neisser veel te ver.
Toetsing van de flitslichthypothese
Hoe cynisch het ook mag klinken; de aanslagen in New York leenden zich uitstekend om de flitslichthypothese nu eens echt aan een deugdelijk onderzoek te onderwerpen.
Verschillende psychologen maakten van de nood een deugd en daarmee dankbaar gebruik van de gelegenheid.
Jennifer M. Talarico and David C. Rubin van de Duke University in North Carolina lieten er geen gras over groeien en legden studenten een dag na de aanslagen al een vragenlijst voor. Zij vroegen hoe de participanten voor het eerst gehoord hadden over de gebeurtenissen in New York, wat ze deden op dat moment en of ze in gezelschap waren van anderen. Daarnaast vroegen ze naar herinneringen aan een eerdere alledaagse gebeurtenis. Vervolgens splitsten ze de oorspronkelijke groep in drieën. De eerste groep werd 7 dagen, de tweede 42 dagen en de derde 224 dagen na het eerste onderzoek weer ondervraagd. Zo konden zij een schaal samenstellen waaruit bleek dat er sprake was van een afname van consistentie over tijd voor zowel de vermeende flitslichtherinnering als de alledaagse herinnering. De mate van geëmotioneerdheid droeg evenmin bij aan de consistentie. Ook naar lichamelijke reacties, als trillen, zweten, hartkloppingen en maagkrampen werd gevraagd. De hoogte hiervan bleek vooral te correleren met de overtuiging van de juistheid van de herinneringen, maar niet met de consistentie ervan.
De onderzoekers concluderen dan ook dat het vooral de levendigheid en de overtuiging van accuraatheid zijn die de flitslichtherinneringen karakteriseren: ' The true "mystery," then, is not why flashbulb memories are so accurate for so long, as Brown and Kulik thought, but why people are so confident for so long in the accuracy of their flashbulb memories.'
De psycholoog Stephen R. Schmidt van de Middle Tennessee State University liet studenten binnen één week na de aanslagen een vragenlijstlijst invullen. Ze moesten antwoord geven op vragen die met de gebeurtenissen zelf te maken hadden, zogeheten centrale herinneringen en ze kregen vragen over perifere herinneringen voorgelegd ('wat voor weer was het?'; 'welke kleren had je aan?' etc.).
Schmidt keek ook naar de invloed van emotie op de herinnering. Emotie vormt immers de hefboom van de flitslichthypothese, omdat het de ontvankelijkheid zou vergroten. Twee maanden later werd de studenten gevraagd de vragenlijst weer in te vullen. De grote vraag was in hoeverre de gebeurtenissen een ‘onuitwisbare’ indruk gemaakt hadden. De vragen waarin de centrale informatie centraal stond leverden nagenoeg dezelfde antwoorden op. Perifere herinneringen leverden echter veel meer inconsistente antwoorden (of helemaal niets) op. Consistentie is een belangrijk gegeven. Wie niets meer weet is gewoon iets vergeten. Maar iemand die in november meer herinneringen heeft dan in september is natuurlijk veel interessanter, want dit duidt op herinterpretatie en bewerking.
Opmerkelijk was dat de consistentie groter bleek naarmate er meer dagen tussen de aanslagen en het invullen van de eerste vragenlijst lagen. Dit wijst er op dat een hoge mate van overeenstemming pas ontstaat nadat men voor zichzelf een samenhangend verhaal heeft geconstrueerd van de gebeurtenissen door er steeds opnieuw over te vertellen. Verschil in emotionele beleving was van invloed op de consistentie van de perifere herinneringen. De centrale herinneringen liepen voor beide groepen niet wezenlijk uiteen in september en november. De emotionele groep was echter veel inconsistenter bij de beantwoording van de vragen naar de perifere herinneringen. Waaruit blijkt dat verhoogde emotie niet noodzakelijk samengaat met betere herinneringen.
Het belang van persoonlijke betrokkenheid en de amygdala
Drie jaar later onderzocht Elizabeth A. Phelps twee groepen die ten tijde van de aanslagen in New York verbleven. Eén groep in de omgeving van het WTC (Downtown group) en de andere op 6 à 7 kilometer afstand (Midtown group). De Downtown group heeft – nauwelijks verrassend – over het algemeen levendigere herinneringen aan de gebeurtenissen dan de Midtown group. De onderzoekers konden door het gebruik van MRI-scans ook vaststellen dat de amygdala bij het ophalen van die herinneringen een hogere activiteit vertoonde dan bij andere herinneringen aan de zomer van 2001. Het is bekend dat de amygdala een rol speelt bij emoties en invloed heeft op de herinnering. Wie de gebeurtenissen van dichtbij heeft meegemaakt bewaart daar meer gedetailleerde herinneringen aan en is ook overtuigder van de juistheid. In die zin ligt er aan flitslichtherinneringen niet een ander neuraal circuit ten grondslag dan aan 'gewone' herinneringen. Het verschil zit vooral in de levendigheid en (daardoor?) de overtuiging van de accuraatheid.
Echter, juist bij die accuraatheid zelf zijn de nodige vraagtekens te plaatsen. Flitslichtherinneringen blijken uiteindelijk ook 'maar' herinneringen. Wat niet wegneemt dat het een interessant fenomeen blijft. Ze zijn, samen met zeer persoonlijke gebeurtenissen zoals de eerste verliefdheid, de geboorte van een kind of het verlies van een dierbare, belangrijke momenten in de persoonlijkheidsontwikkeling van een individu.
Neisser die in 1982 een aantal kanttekeningen plaatste bij de flitslichthypothese, stelt dat deze herinneringen weliswaar minder de gedetailleerde snapshots zijn waar ze aanvankelijk voor werden aangezien, maar dat ze wel op te vatten zijn als mijlpalen in onze persoonlijke geschiedenis. Hij bedoelt daarmee dat in het flitslicht twee vertellingen die meestal gescheiden blijven, de loop van de wereldgeschiedenis en de loop van ons eigen leven, tijdelijk op één lijn komen.
© Willem Visser (http://www.txtpro.nl/)

Een opmerkelijk contrastrijk beeld: het WTC stort in terwijl een visser onverstoorbaar naar zijn dobber staart.
Geraadpleegde literatuur:
Sharot, T., Martorella, E.A., Delgado, M.R. & Phelps, E.A. (2007). How personal experience modulates the neural circuitry of memories of september 11. PNAS, 104, 389 – 394.
http://www.pnas.org/content/suppl/2006/12/13/0609230103.DC1
Schmidt, S.R. (2004). Autobiographical memories for the september 11th attacks: reconstructive errors and emotional impairment of memory. Memory & Cognition, 32 (3), 443 – 454.
Talarico, J.M. & Rubin, D.C. (2003). Confidence, not consistency, characterizes flashbulb memories. Psychological Science, 14 (5), 455 – 461.
| < Vorige | Volgende > |
|---|

